Na de schulden en energiecrisis een wereldwijd voedselprobleem?
Wereld | duurzaamheid | 2-2-2012 | Uitpers

Na de tweede wereldoorlog heeft de olie een aantal ontwikkelingen mogelijk gemaakt, t.w.: het bouwen van woonsteden ver van de plek, waar je werkte. Een leven zonder auto werd bijna onmogelijk. Dit heeft geresulteerd in zestig jaar economische groei met veel werkgelegenheid, als gevolg van o.a. de auto-industrie, transportbedrijven, vliegverkeer, wegenaanleg, olie-leverende bedrijven en een zeer hoge voedselproductie. Wat begon als armoedebestrijding veranderde in die zestig jaar ongemerkt in georganiseerde hebzucht.
Lees meer

______________________________________________________


Presidenten komen met strategie voor duurzame ontwikkeling
Wereld | duurzaamheid | 31-1-2012 | IPS

Een VN-panel van staatshoofden en andere hoge vertegenwoordigers heeft een langverwachte strategie gelanceerd met 56 aanbevelingen op het gebied van wereldwijde duurzaamheid.
Lees meer

______________________________________________________

Droogte dreigt weer in Argentinië
Argentinië | landbouw | 27-1-2012 | IPS

Een gebrek aan neerslag leidt nu al tot verminderde landbouwproductie in Argentinië, met name voor maïs en soja. De producenten en de overheid maken zich zorgen.
Lees meer

______________________________________________________

Twee jaar na het einde van het Bo volk worden ook de Jarawa 'bedreigd met uitsterven'
India | mensenrechten | 27-1-2012 | Survival International

Twee jaar nadat op de Indiase Andamaneilanden de laatste inheemse spreker van de Bo-taal overleed, heeft een gerenommeerde taalkundige gewaarschuwd dat de Jarawa-stam getroffen kan worden door een vergelijkbaar lot als de weg die door hun reservaat loopt niet afgesloten wordt.
Lees meer

______________________________________________________

Wild westvisserij in verre wateren
Wereld | visserij | 25-1-2012 | WereldNatuurFonds

Europese vissersvloten zwermen steeds sneller uit over de oceanen om gebieden leeg te vissen. Geholpen door brandstofsubsidies en visserijovereenkomsten met ontwikkelingslanden exploiteren ze in hoog tempo visgronden en trekken vervolgens weer verder. Een studie in opdracht van het Wereld Natuur Fonds (WNF) laat zien dat de meeste rederijen die tactiek van de verschroeide aarde buiten Europa toepassen en Europese regelgeving voor verantwoorde visserij omzeilen.
Lees meer

______________________________________________________

NFC steunt onderzoek naar 'landjepik' in Uganda
Uganda | landbouw | 25-1-2012 | Oxfam/novib

De Engelse houtproducent New Forests Company (NFC) heeft eind december toegezegd mee te werken aan een onderzoek naar de gevolgen van investeringen in land in Uganda. De deelname van NFC is van cruciaal belang op weg naar recht voor duizenden Ugandese boeren.
Lees meer
______________________________________________________

'Wonderboom' helpt tegen ondervoeding in Zuid-Afrika
Z-Afrika | landbouw | 25-1-2012 | IPS

De bladeren van de 'wonderboom' kunnen in sommige gevallen net zo goed werken als internationale voedselhulp, zeggen deskundigen. De snelgroeiende, droogteresistente boom met extreem voedzame bladeren wordt in Zuid-Afrika al gebruikt om ondervoeding tegen te gaan.
Lees meer
______________________________________________________

Indiase kinderen ondervoed, ondanks economische groei
India | ontwikkeling | 22-1-2012 | IPS

Miljoenen kinderen in India zijn het slachtoffer van slechte gezondheidszorg. Ondervoeding, waar ongeveer 42 procent van de jonge Indiase kinderen aan lijdt, vormt een obstakel voor de menselijke ontwikkeling in een land waar de economie sterk groeit.
Lees meer
______________________________________________________

Meer Afrikaanse landen gaan vooruit in strijd tegen honger
Afrika | landbouw | 20-1-2012 | IPS

Steeds meer Afrikaanse landen boeken aanzienlijke vooruitgang in de strijd tegen extreme honger en armoede. Het gaat onder meer om Ghana, Liberia, Malawi, Rwanda, Sierra Leone en Zuid-Afrika.
Lees meer
______________________________________________________

"Zuinige" biodiesel zorgt voor enorme uitstoot bij productie
Wereld | milieu | 20-1-2012 | IPS

Productie van biodiesel draagt meestal bij aan klimaatverandering, concludeert nieuw onderzoek. De CO2 die bij verbranding wordt bespaard, wordt volledig tenietgedaan door de CO2 die vrijkomt bij de aanleg van plantages.
Lees meer
______________________________________________________

Tienduizenden Ethiopiërs onder dwang verhuisd
Ethiopië | landbouw | 17-1-2012 | IPS

De Ethiopische overheid heeft tienduizenden mensen onder dwang doen verhuizen om gebieden vrij te maken voor grootschalige landbouw, stelt de Human Rights Watch (HRW) in een nieuw rapport. In hun nieuwe dorpen ontbreekt het de gedwongen migranten aan voedsel, landbouwgrond en onderwijs.
Lees meer
______________________________________________________

WikiLeaks onthult verborgen agenda van Westen in Haïti
Haïti | politiek | 16-1-2012 | MO*

Uit documenten die enkele maanden geleden al door de klokkenluiderswebsite WikiLeaks werden vrijgegeven, blijkt dat westerse landen er al jaren voor zorgen dat de politieke ontwikkelingen in Haïti hun economische belangen niet in het gedrang brengen. Vooral de agressieve houding van de Verenigde Staten is ontnuchterend. De onthullingen werpen vragen op over de slaagkansen van het reconstructieproces, dat sinds kort door de Haïtiaanse overheid geleid wordt.
Lees meer
______________________________________________________

Zelfs recordoogst kan wereldgraanvoorraad niet aanvullen
Wereld | landbouw | 13-1-2012 | IPS

Er is afgelopen jaar meer graan geoogst dan ooit, maar doordat de consumptie bijna even hard groeit, blijven de voorraden zorgwekkend laag. Dat blijkt uit een analyse van nieuwe cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw.
Lees meer
______________________________________________________

Salvadoraanse boeren ziek door bestrijdingsmiddelen
El Salvador | ontwikkeling | 13-1-2012 | IPS

Decennialang gebruikten Salvadoraanse boeren giftige pesticiden. Bewoners en media melden nu een alarmerende groei van het aantal mensen dat lijdt aan nierfalen.
Lees meer
______________________________________________________

Chinese investeringen in Kameroen kunnen desastreus uitpakken"
Kameroen | ontwikkeling | 12-1-2012 | IPS

De regering van Kameroen doet steeds meer beroep op China om de ontwikkeling in het land te stimuleren. Critici vrezen dat de gevolgen van de economische relaties tussen China en Kameroen op lange termijn desastreus zullen zijn voor de binnenlandse industrie.
Lees meer
______________________________________________________

Salvadoraan vindt uiterst zuinig en schoon fornuis uit
El Salvador | ontwikkeling | 12-1-2012 | IPS

Een Salvadoraanse ingenieur heeft een uiterst zuinig en schoon fornuis uitgevonden. Het verbruikt nauwelijks hout en stoot amper CO2 uit. De uitvinder kreeg een schouderklopje van de NASA.
Lees meer
______________________________________________________

"Vee is beter antwoord op verwoestijning dan bomen"
Zimbabwe | ontwikkeling | 11-1-2012 | IPS

Verwoestijning kan beter tegengegaan worden door goed uitgekiende begrazing dan door bomen te planten. Dat zegt een Amerikaanse bioloog die in Zimbabwe spectaculaire resultaten boekt.
Lees meer
______________________________________________________

Vertragen voor een overvloedig leven
Wereld | ontwikkeling | 11-1-2012 | Dewereldmorgen.be

We kunnen er niet naast kijken: we moeten met zijn allen langer en harder werken en de economische groei weer aanzwengelen. Anders kunnen we de pensioenen niet betalen, de staatsschuld niet afbetalen en verdampt de welvaartsstaat. Zo luidt toch het dominante discours. Het lijkt wel of er geen andere weg uit de huidige crisis is: iedereen harder werken, de economische motor sneller doen draaien.
Lees meer
______________________________________________________

Occupy Nigeria: een blik op de protesten
Nigeria | ontwikkeling | 11-1-2012 | Dewereldmorgen.be

Sinds 2 januari gaan de protesten tegen de afschaffing van de brandstofsubsidie in Nigeria onverminderd door. De protesten gaan ook gepaard met etnisch en religieus geïnspireerde terreur. Er heerst een gemengde sfeer van angst, onzekerheden en hoop. Maar de Nigerianen nemen wel het voortouw in een nieuwe ronde van het wereldwijde verzet tegen de crisis van het kapitalisme.
Lees meer
______________________________________________________

Haïti 2 jaar na de aardbeving: waar het geld naar toe is
Haïti | hulp | 11-1-2012 | Dewereldmorgen.be

Op 12 januari 2010 werd Haïti door een aardbeving verwoest. Een enorme internationale steunactie kwam op gang. Enorme bedragen werden op tafel gelegd. Althans, zo leek het toch. Vandaag ziet Haïti er uit alsof de ramp amper twee maand geleden gebeurde. Waar is al dat geld naar toe gegaan? Een ontnuchterende analyse van de Amerikaanse bijdrage die ook heel wat over de Europese 'hulp' zegt.
Lees meer
______________________________________________________

Regionale economie lost crises op
Wereld | economie | 11-1-2012 | Duurzaamnieuws

Hoe groter de markt, hoe groter de crisis als er iets mis gaat. Dat lijkt de les van een paar decennia ongebreidelde groei, die heeft geleid tot een samenstel van problemen die ieder op zich bedreigend zijn voor de hele planeet. Daarom is het vinden van de optimale schaal voor onze economie een belangrijke sleutel voor de oplossing van de diverse mondiale crises.
Lees meer
______________________________________________________

Grondwaterpeil daalt wereldwijd
Wereld | economie | 4-1-2012 | IPS

Het grondwaterpeil daalt wereldwijd, onder meer in belangrijke landbouwgebieden in Australië, China en de Verenigde Staten. Dat blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Californië op basis van satellietmetingen van de NASA.
Lees meer

______________________________________________________

Duurzaamheid wordt ieders eigenbelang
Nederland | ontwikkeling | 2-11-2012 | Duurzaamnieuws

"Geen respecterend bedrijf kan er meer omheen verantwoordelijkheid te nemen voortaan duurzaam te ondernemen", dat zegt dr. Anniek Mauser, Directeur Duurzaamheid Benelux van Unilever en één van de genomineerden voor de 'Lof-award CSR-vrouw van het jaar.
Lees meer

______________________________________________________

Zonne-energie maakt opgang op platteland Bangladesh
Bangladesh | ontwikkeling | 29-12-2011 | IPS

Plattelandsbewoners in Bangladesh die tot voort kort geen elektriciteit hadden, kiezen massaal voor goedkope zonne-energie.
Lees meer

______________________________________________________


Strijd tegen landroof in Oeganda gebaat bij internationale druk
Oeganda | armoede | 29-12-2011 | FIAN

Al tien jaar strijdt hij voor teruggave van het land waarvan zijn gemeenschap in 2001 met geweld werd verdreven. Mensenrechtenactivist Peter Kayiira reisde de afgelopen weken door Europa om aandacht te vragen voor een typisch geval van landroof in Oeganda. Internationale aandacht lijkt te helpen om de zaak hoog op de agenda van de Oegandese justitie te houden.
Lees meer

______________________________________________________

Inheemse armoede wakkert macht maoïsten aan
India | armoede | 28-12-2011 | IPS

Extreme armoede en een gebrek aan aandacht daarvoor vanuit de overheid, drijft de adivasis in de armen van de maoïsten.
Lees meer

______________________________________________________

Medisch afval verspreidt ziekten in Keniaanse sloppenwijken
Kenia | afval | 28-12-2011 | IPS

Collins Otieno (25) weet nooit wat de nieuwe dag hem zal brengen: het kan wat geld zijn, maar ook een infectie. Hij leeft van wat hij vindt tussen het afval in Soweto, een sloppenwijk in de Keniaanse hoofdstad Nairobi.
Lees meer

______________________________________________________

Peruaanse gletsjers smelten nog sneller dan verwacht
Peru | klimaat | 27-12-2011 | IPS

In Peru komt er steeds minder smeltwater van de gletsjers van de Cordillera Blanca, de hoogste tropische bergketen ter wereld. Volgens een nieuw onderzoek gebeurt dit twintig jaar vroeger dan verwacht. Het water voorziet een belangrijk deel van het noorden van het land van water.
Lees meer

______________________________________________________

Klimaat zet Amerikaanse katoen en vleesproductie onder druk
N-Amerika | landbouw | 23-12-2011 | IPS

Historische droogte heeft verregaande gevolgen voor Texas en mogelijk voor de hele Amerikaanse economie. Volgens de Texas Forest Service heeft het gebrek aan neerslag al tot 500 miljoen bomen doen afsterven, goed voor 10 procent van het totale bosoppervlak in de staat. De landbouw en veeteelt, erg belangrijk in de Amerikaanse economie, krijgen zware klappen.
Lees meer

______________________________________________________

Rel over ijzererts in Sierra Leone
Sierra Leone | ontwikkeling | 22-12-2011 | IPS

In Sierra Leone is ruzie ontstaan over een lease-overeenkomst die het mogelijk moet maken ijzererts te winnen in het Gola-regenwoud. Een dorpshoofd tekende in april zonder medeweten van de lokale bevolking een contract met een mijnbouwbedrijf.
Lees meer

______________________________________________________

Droevig kerstverhaal: de mysterieuze verdwijning van 's werelds grootste rendierkudde
Canada | ontwikkeling | 21-12-2011 | SURVIVAL INTERNATIONAL

De omvang van de grootste rendierkudde op aarde is dramatisch afgenomen. De plaatselijke inheemse bevolking wijdt dit aan de toename van industriële megaprojecten in het betreffende gebied.
Lees meer

______________________________________________________

"Strijd tegen klimaatverandering moet meer aandacht hebben voor vrouwen"
El Salvador | milieu | 20-12-2011 | IPS

Erken het recht op water als een mensenrecht. Maak een einde aan grote projecten die arme plattelandsbewoners in moeilijkheden brengen. En stem maatregelen tegen de klimaatopwarming meer af op vrouwen. Dat zijn de belangrijkste aanbevelingen van een hoorzitting van Salvadoraanse vrouwen over de klimaatverandering.
Lees meer

______________________________________________________

Landgrabbing bedreigt armen steeds meer
wereld | handel | 18-12-2011 | iNSnet

Het grootste onderzoek ooit naar grote landaankopen in ontwikkelingslanden toont meer nadelen aan dan voordelen. Dat concludeert een publicatie van de International Land Coalition (ILC) van 14 december 2011. Uit het onderzoek kwamen trends naar voren die niet eerder waren opgemerkt.
Lees meer

______________________________________________________

Experts waarschuwen voor dalend grondwaterpeil Bangladesh
wereld | water | 17-12-2011 | MO*

Deskundigen in Bangladesh vrezen dat een snelle daling van het grondwaterpeil in hun land de voedsel- en waterzekerheid van miljoenen mensen in het gedrang zal brengen. De problematische Bengaalse grondwaterstanden zouden in de nabije toekomst ook de biodiversiteit van 's werelds grootste mangrovegebied kunnen bedreigen.
Lees meer

______________________________________________________

"Vrijhandelsverdrag EU India is rampzalig voor voedselzekerheid"
India | handel | 17-12-2011 | IPS

Het vrijhandelsverdrag waar de EU en India over in onderhandeling zijn, ondermijnt de voedselzekerheid van een groot deel van de Indiase bevolking, blijkt uit onderzoek van Indiase en Duitse ngo's.
Lees meer

______________________________________________________


De grote Melkroof
Wereld | handel | 16-12-2011 | GRAIN

De meeste markten in het Zuiden worden van melk voorzien door kleinschalige verkopers die melk ophalen bij boeren en herders. Maar ze staan onder druk van de grote zuivelbedrijven zoals Nestlé en PepsiCo and Cargill and andere spelers, die de hele zuivelsector in deze landen over willen nemen, van boerderij tot markt.
Lees meer

______________________________________________________

Meer zelfdodingen dan hervormingen in Indiase landbouw
India | landbouw | 14-12-2011 | IPS

Vijf jaar geleden begon Pulparambil Varghese met het verbouwen van gember op zijn lapje grond in Thrikkeppatta, in het district Wayanad in het zuiden van India. Hij leende voor 4400 euro van banken en particuliere financiële instituten, maar slaagde er niet in zijn bedrijf winstgevend te maken en zijn leningen af te betalen. Op 48-jarige leeftijd pleegde Varghese zelfmoord. Hij was een van de zes boeren in Wayanand die zichzelf dit jaar ombracht.
Lees meer

______________________________________________________

Wonen aan de rand van de afgrond Occupy Guatemala
Guatemala | ontwikkeling | 14-12-2011 | Dewereldmorgen.be

Helemaal los van de Occupy beweging in Noord-Amerika en Europa, kent ook Guatemala een gelijkaardig fenomeen. De voedingsbodem daarvoor zijn de ontzettend slechte leefomstandigheden in de krottenwijken alsook het manke woonbeleid. Om hun situatie te veranderen, hebben de bewoners een wetsvoorstel gemaakt, de straat voor het parlement bezet en zijn uiteindelijk een hongerstaking begonnen.
Lees meer

______________________________________________________

Hadza stam viert overdracht landeigendomsakten
Tanzania | mensenrechten | 8-12-2011 | SURVIVAL INTERNATIONAL

De Hadza in Oost-Afrika hebben op plechtige wijze de erkenning van hun landrechten gevierd. De eigendomsakten werden vorige maand officieel overhandigd tijdens een speciale ceremonie in de Hadza-gemeenschap van Domongo. De Hadza zijn een van de weinige jager-verzamelaarstammen in Oost-Afrika.
Lees meer

______________________________________________________

Mexicaanse indianen verdedigen grondgebied tegen veeboeren
Mexico | mensenrechten | 8-12-2011 | IPS

De Zoques, een indianenvolk in de Mexicaanse provincie Oaxaca, zetten alles op alles voor het behoud van een bos van 47.000 hectare. Met een blokkade protesteren ze tegen de aanwezigheid van veeboeren en houthakkers uit de naburige provincie Chiapas die delen van het bos ontginnen.
Lees meer

______________________________________________________

"Investering in strijd tegen honger geeft uitzonderlijke opbrengst"
wereld | ontwikkeling | 7-12-2011 | IPS

Het plan van José Graziano da Silva om de honger wereldwijd uit te roeien is "tamelijk eenvoudig", zegt hij zelf. De nieuwe baas van de VN-voedselorganisatie FAO wil meer politieke verbintenissen, meer middelen en absolute doelstellingen, zegt hij in een gesprek met IPS.
Lees meer

______________________________________________________

Biobrandstoffen veroorzaken honger en armoede
wereld | ontwikkeling | 7-12-2011 | IPS

Rijke landen helpen slachtoffers van honger en oorlog in Afrika, maar dezelfde landen veroorzaken met hun energie- en ontwikkelingsagenda juist honger en milieuschade in diezelfde landen. Dat zegt het Amerikaanse Oakland Institute in een gisteren verschenen rapport.
Lees meer

______________________________________________________

Mensenrechtenorganisaties richten zich op multinationals
L-Amerika | mensenrechten | 6-12-2011 | IPS

Mensenrechtenorganisaties in Latijns-Amerika richtten hun pijlen vroeger vooral op overheden. Nu pakken ze ook multinationals aan. Hun agenda is ruimer geworden. Ze behandelen thema's als inheemse volkeren, geweld tegen vrouwen, arbeid, migranten en seksuele minderheden.
Lees meer

______________________________________________________

"Water verdient meer aandacht in Durban"
wereld | water | 6-12-2011 | IPS

Het belooft deze eeuw nog een stuk heter en droger te worden in Zuidelijk Afrika. Daarom klinkt de roep steeds luider om water bovenaan op de agenda van de klimaatonderhandelingen in Durban te zetten.
Lees meer

______________________________________________________

"Braziliaanse boswet is doodsteek voor Amazonegebied"
Brazilië | milieu | 6-12-2011 | IPS

De versoepeling van de Braziliaanse boswet betekent de doodsteek voor het Amazonegebied. Dat zegt het Wereldnatuurfonds (WWF). Vandaag moet de Braziliaanse Senaat de wet goedkeuren.
Lees meer

______________________________________________________

Brazilië pleit voor duurzaamheidsdoelstellingen
Brazilië | ontwikkeling | 5-12-2011 | IPS

Na de millenniumdoelstellingen moeten er nu ook doelstellingen voor duurzame ontwikkeling komen, vindt Brazilië. Het wil hierover een akkoord bereiken volgend jaar op Rio+20, de duurzaamheidstop in Rio de Janeiro.
Lees meer

______________________________________________________

Hernieuwbare energie helpt tegen opwarming en armoede
India | ontwikkeling | 30-11-2011 | IPS

Schone energie is niet alleen goed voor het milieu, vaak is het ook de enige oplossing om arme mensen van licht en stroom te voorzien. Het Barefoot College, een Indiase niet-gouvernementele organisatie, heeft bijvoorbeeld al wereldwijd meer dan 34.000 huizen in afgelegen dorpen van lampen op zonne-energie voorzien.
Lees meer

______________________________________________________

Afrikaanse landen kicken af van hulp
Wereld | ontwikkeling | 30-11-2011 | IPS

De allerarmste landen in de wereld zijn nu gemiddeld een derde minder afhankelijk van ontwikkelingshulp dan tien jaar geleden. Dat bewijst dat die hulp wel degelijk werkt, zeggen experts.
Lees meer

______________________________________________________

"Ontwikkelingshulp is voorbijgestreefde term"
Wereld | ontwikkeling | 23-11-2011 | IPS

Kan de hulp die ontwikkelingslanden van de rijke landen krijgen doeltreffender worden gemaakt? Dat is de vraag waarover regeringen en ontwikkelingsexperts het vanaf volgende week hebben in het Zuid-Koreaanse Busan. "Laten we om te beginnen stoppen met het over hulp te hebben", zegt expert Brian Atwood.
Lees meer

______________________________________________________

Vis blijkt droompartner voor rijstvelden
Wereld | landbouw | 17-11-2011 | IPS

Als rijstboeren ook vis kweken in hun ondergelopen rijstvelden, daalt het gebruik van pesticiden en mest drastisch. Tegelijk verhogen de boeren hun inkomen en diversifiëren ze hun productie, blijkt uit Chinees onderzoek.
Lees meer

______________________________________________________

Arm Bangladesh koopt grond in buitenland
Nigeria | landbouw | 17-11-2011 | IPS

Bangladesh behoort tot de armste landen ter wereld, en toch probeert de regering in Dhaka in andere landen goede landbouwgrond te kopen of te leasen. Dat komt op termijn goedkoper uit dan voedsel invoeren, is de redenering.
Lees meer

______________________________________________________

"Shell moet één miljard dollar betalen om de Nigerdelta schoon te maken"
Nigeria | milieu | 16-11-2011 | Dewereldmorgen.be

Het multinationale olieconcern Shell moet om te beginnen één miljard dollar betalen om de vervuiling op te ruimen in de Nigerdelta die veroorzaakt werd door olielekken. Dit zeggen Amnesty International en het CEHRD in een rapport dat vorige week verscheen. Het rapport beschrijft gedetailleerd de verwoestende impact van twee immense olielekken in Bodo in Ogoniland in 2008.
Lees meer

______________________________________________________

Eilanden Stille Oceaan kijken uit naar klimaathulp
Wereld | milieu | 16-11-2011 | IPS

Nergens wordt zo uitgekeken naar positieve resultaten van de komende klimaattop in Durban als op de eilanden in de Stille Oceaan. De stijgende zeespiegel dwingt er nu al mensen te verhuizen.
Lees meer

______________________________________________________

"Rol opkomende landen beperkt bij ontwikkelingshulp"
Wereld | ontwikkeling | 13-11-2011 | IPS

Experts hopen dat opkomende economieën zoals Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika (de BRICS-landen) een belangrijke rol gaan spelen in ontwikkelingshulp. Deze landen zijn daar echter nog niet toe in staat, zeggen critici.
Lees meer

______________________________________________________

Ethiopische kinderen werken op "Indiaas land"
Ethiopië| landbouw | 13-11-2011 | IPS

De achtjarige Red is op zijn knieën onkruid aan het wieden op een suikerrietveld, in de brandende zon. Een Indiër overziet het veld en let op of de jongen geen onkruid laten staan. Met de export van voedsel uit Ethiopië, geproduceerd met kinderarbeid, hoop de Indiase eigenaar van het bedrijf miljoenen te verdienen binnen drie jaar.
Lees meer

______________________________________________________

Braziliaanse boeren planten bomen tussen gewassen
Brazilië | landbouw | 10-11-2011 | IPS

In de Braziliaanse deelstaat São Paulo planten boeren struiken en bomen tussen hun gewassen. Daardoor hebben ze minder water nodig. Het lokale project heeft nationale ambities.
Lees meer

______________________________________________________

Latijns Amerikaanse landen vormen front tegen honger
L-Amerika | voedsel | 9-11-2011 | IPS

Parlementsleden uit Brazilië, Argentinië en acht andere landen uit Latijns-Amerika maken zich sterk voor nieuwe wetten die regeringen moeten dwingen de strijd tegen de honger op te voeren. Brazilië heeft het recht op voedsel al in zijn grondwet opgenomen, en Colombia en de Dominicaanse Republiek denken daar over na.
Lees meer

______________________________________________________

Duurzaam begint bij de consument (zegt de boer)
Nederland | voedsel | 8-11-2011 | iNSnet

"Duurzaamheid begint bij de consument, niet bij de producent, de boer!" Dit zegt Henk Jan ten Haken, bedrijfsleider van Nij Bosma Zathe, tijdens een rondleiding op deze praktijkproefboerderij voor melkveehouderij van de WUR (Wageningen University & Research centre) even buiten Leeuwarden.
Lees meer

______________________________________________________

Oxfam rapport onthult grove mensenrechtenschendingen op FSC plantages in Oeganda
Wereld | mensenrechten | 7-11-2011 | Dewereldmorgen.be

In Oeganda werden meer dan 22.000 boeren verdreven om plaats te maken voor duurzaam beheerde boomplantages. Families werden gedwongen hun land te verlaten, huizen werden platgewalst en gewassen verbrand. Ondanks deze flagrante mensenrechtenschendingen kregen de plantages van de New Forest Company toch het FSC-label. Wat is er aan de hand?
Lees meer

______________________________________________________

Betere wegen doen Congolese voedselproductie pieken
Congo | voedsel | 7-11-2011 | IPS

De regering van Congo-Brazzaville heeft sinds 2009 al 839 kilometer wegen verhard waarlangs boeren hun oogst naar de steden kunnen brengen. In de streken die door de nieuwe wegen worden ontsloten, is de landbouwproductie al spectaculair gestegen.
Lees meer

______________________________________________________

'Ook de rechten van de bewoners tellen'
Indonesië | mensenrechten | 5-11-2011 | MO*

'Klimaatfinanciering voor herbebossing en bosherstel (REDD+) moet ook oog hebben voor de rechten van wie in het bos woont' vindt Titi Soentoro, van ADB-Indonesië, het NGO-Forum dat het beleid van de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank in de regio opvolgt.
Lees meer

______________________________________________________

Voedselcrisis houdt aan ondanks prijsdaling
Wereld | voedsel | 3-11-2011 | MO*

De voedselprijzen zijn het afgelopen half jaar wereldwijd gedaald, maar ze liggen nog altijd negentien procent boven het niveau van september 2010. Dat staat in het Food Price Watch Report, dat de Wereldbank vlak voor de G-20 top in Cannes heeft gepubliceerd. De hoge voedselprijzen treffen vooral de landen in de Hoorn van Afrika.
Lees meer

______________________________________________________

De voedselcrisis slaat opnieuw toe. Speculatie gaat voor op voedselbehoeften
Wereld | voedsel | 3-11-2011 | Dewereldmorgen.be

Een nieuwe voedselcrisis slaat toe. De voedselprijzen zijn volgens de index van voedselprijzen van de FAO, de VN-organisatie voor Voedsel en Landbouw, van februari 2011, opnieuw tot recordniveaus gestegen. Esther Vivas analyseert de voedselspeculatie.
Lees meer

______________________________________________________

Bolivia marcheert in twee richtingen
Bolivia | mensenrechten | 2-11-2011 | Uitpers

Op 15 augustus vertrokken verbolgen inheemse Bolivianen en milieubeschermers naar La Paz. De verbindingsweg van Bení naar Cochabamba door het natuur- en inheems gebied TIPNIS (Territorio Indígena Parque Nacional Isiboro-Sécure) mocht er niet komen. De Morales-regering hield echter het been stijf. Bolivia is verdeeld. Wat gebeurde er in de afgelopen maanden?
Lees meer

______________________________________________________

Indiase stam krijgt weer toegang tot tijgerreservaat
India | mensenrechten | 2-11-2011 | SURVIVAL INTERNATIONAL

Voor het eerst in de geschiedenis van India is aan een inheemse stam het recht toegekend om hun voorouderlijk land weer te gebruiken, ondanks het feit dat dit land in een tijgerreservaat ligt.
Lees meer

______________________________________________________

Watergebruik stijgt sneller dan de wereldbevolking
Wereld | water | 1-11-2011 | INSnet

Net als olie in de 20e eeuw, zou water wel eens DE basisbehoefte kunnen worden waar het in de 21ste eeuw om gaat draaien. Mensen zijn sinds de vroegste dagen van de beschaving afhankelijk geweest van de toegang tot water, maar met de 7 miljard mensen die nu op de Aarde leven en de exponentieel groeiende verstedelijking en ontwikkeling, groeit de vraag naar water als nooit tevoren.
Lees meer

______________________________________________________

Inheems protest tegen mijnbouw op heilige grond
Mexico | mensenrechten | 30-10-2011 | IPS

De Wixáritari-indianen in Mexico liggen in de clinch met een mijnbouwbedrijf dat zilver wil gaan winnen op hun heilige grond, een gebied dat in 1988 werd erkend door de werelderfgoedorganisatie Unesco.
Lees meer

______________________________________________________

Criminele Spaanse vissers gesteund met Europees belastinggeld
Europa | milieu | 23-10-2011 | Greenpeace

Europa subsidieert Spaanse visserijbedrijven die zich schuldig maken aan illegale visserij. Dat blijkt uit het vandaag verschenen onderzoeksrapport. Greenpeace roept op tot een hervorming van het Europese visserijbeleid.
Lees meer

______________________________________________________


Brazilië onderzoekt wat klimaatwijziging met koffie doet
Brazilië | milieu | 21-10-2011 | IPS

Brazilië gaat de gevolgen van de klimaatwijziging voor de koffieteelt onderzoeken. Het gaat daarvoor de uitstoot van CO2 simuleren op een grote koffieplantage.
Lees meer

______________________________________________________

Venezuela geeft inheems volk grondgebied terug
Venezuela | mensenrechten | 20-10-2011 | IPS

Venezuela geeft 15.800 hectare land terug aan het inheemse Yukpa-volk. Daarvoor worden 25 grote veehouders onteigend.
Lees meer

______________________________________________________


Braziliaanse rechter schort werken aan Belo Montedam op
Brazilië | mensenrechten | 14-10-2011 | Friends of the Earth

Een rechter in Brazilië heeft de stopzetting bevolen van de bouw van een multi-miljarden damproject in het Amazonegebied.
Lees meer

______________________________________________________

Kleine boeren vragen VN-richtlijnen tegen landroof
Wereld | voedsel | 13-10-2011 | IPS

Boerenorganisaties en activisten zijn in Rome bijeen om regeringen duidelijk te maken dat er een einde moet komen aan de praktijk van "landroof". Volgende week vergadert het Comité voor Wereldvoedselzekerheid (CFS) in Rome. Tussen 11 en 14 oktober voert de VN-Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) intergouvernementele onderhandelingen over landbeheer.
Lees meer

______________________________________________________

VN eist dringend antwoorden van Ethiopië over de Gibe III dam
Ethiopië | mensenrechten | 13-10-2011 | SURVIVAL INTERNATIONAL

De groeiende bezorgdheid van de VN over de bouw van de Ethiopische Gibe III dam heeft ertoe geleid dat het Afrikaanse land dringend om informatie is gevraagd.
Lees meer

______________________________________________________

Pesticiden leveren meer op dan honing
Wereld | landbouw | 10-10-2011 | Europa Groen Links

Wereldwijd is er een dramatische daling van het aantal bijen. De bij is onmisbaar voor de productie van ons voedsel, zonder bestuiving is de teelt van groente en fruit bijna onmogelijk. Een voorstel om de situatie van de bij te verbeteren is door de landbouwcommissie van het Europees Parlement ernstig afgezwakt.
Lees meer

______________________________________________________

Argentinië werkt analfabetisme bijna volledig weg
Argentinië | onderwijs | 9-10-2011 | IPS

Ondanks een bevolkingstoename is het analfabetisme in Argentinië de voorbije tien jaar flink gedaald. Duizenden vrijwilligers hebben daarbij geholpen. Het land wil binnenkort het analfabetisme helemaal wegwerken.
Lees meer

______________________________________________________

Informele regionale handel is cruciaal voor Afrika
Afrika | economie | 8-10-2011 | IPS

De regionale handel in Afrika is cruciaal voor de bloei van het continent, maar wordt vaak over het hoofd gezien. Vooral in de informele sector.
Intraregionale handel is goed voor de groei, is stabieler en helpt bij de ontwikkeling van Afrikaans ondernemerschap. Toch wordt handel tussen landen in Afrika ten zuiden van de Sahara overschaduwd door de mondiale export.
Lees meer

______________________________________________________

Tientallen amfibiesoorten bedreigd in Braziliaanse Cerrado
Brazilië| milieu | 7-10-2011 | IPS

In de Braziliaanse Cerrado-savanne dreigen tientallen amfibiesoorten te verdwijnen. In een studie wijst een plaatselijke milieuorganisatie op de ontbossing en klimaatwijziging als oorzaken.
Lees meer

______________________________________________________

Regering Ethiopië 'bulldozert' over inheemse oppositie
Ethiopië | mensenrechten | 6-10-2011 | SURVIVAL INTERNATIONAL

Survival International heeft uit berichten vernomen dat eind september ongeveer honderd mensen die behoren tot de Mursi- en Bodi-stammen zijn gearresteerd en gedetineerd vanwege hun verzet tegen de omstreden Gibe III dam.
Lees meer

______________________________________________________

Steeds meer Afrikaanse grond in buitenlandse handen
Afrika | ontwikkeling | 6-10-2011 | IPS

Hoe langer hoe meer grond in ontwikkelingslanden wordt gepacht of gekocht door buitenlandse investeerders, zegt Camilla Toulmin, die voor de Wereldvoedsel- en Landbouworganisatie (FAO) een rapport over de nieuwe landhonger heeft geschreven. Belangrijke aanjagers zijn speculanten en bedrijven die biobrandstoffen verbouwen.
Lees meer

______________________________________________________

Duurzame landbouw en klimaat
Wereld | landbouw | 5-10-2011 | Dewereldmorgen.be

Grondstoffenprijzen stijgen torenhoog, klimaatverandering laat zich voelen, ook in de landbouw. Er is dringend nood aan een klimaatakkoord. Maar hoe komen de noden van kleinschalige landbouwers in het Zuiden aan bod op die onderhandelingen?
Lees meer

______________________________________________________

Neem de verandering zelf in handen
België | ontwikkeling | 28-9-2011 | Dewereldmorgen.be

We staan voor grote veranderingen. De financiële crisis toont dat een schuldgedreven consumptiemaatschappij onhoudbaar is. Door de klimaatwijziging zien we overstromingen op de ene plaats en ongeziene droogte op andere plekken. En terwijl de vlot toegankelijke olie- en gasvoorraden op hun einde lopen, pieken de voedselprijzen door niets ontziende speculatie, schrijft Dirk Holemans van Oikos.
Lees meer


______________________________________________________




Na de schulden en energiecrisis een wereldwijd voedselprobleem?
(Uitpers nr. 139, 13de jg., februari 2012) door Aad Breed

Na de tweede wereldoorlog heeft de olie een aantal ontwikkelingen mogelijk gemaakt, t.w.: het bouwen van woonsteden ver van de plek, waar je werkte. Een leven zonder auto werd bijna onmogelijk. Dit heeft geresulteerd in zestig jaar economische groei met veel werkgelegenheid, als gevolg van o.a. de auto-industrie, transportbedrijven, vliegverkeer, wegenaanleg, olie-leverende bedrijven en een zeer hoge voedselproductie. Wat begon als armoedebestrijding veranderde in die zestig jaar ongemerkt in georganiseerde hebzucht.

A. De relatie tussen overbevolking, olietekort en landbouwgrond.
Maar wat gebeurt er, als rond 2050 de olie onbetaalbaar is geworden, en we de aarde met 9 miljard medemensen moeten delen? Kunnen we dan nog wel "volledige werkgelegenheid" garanderen? Kunnen we dan nog wel voldoende voedsel produceren voor die 9 miljard mensen, als we wereldwijd over veel minder landbouwgrond per inwoner beschikken? Geloven we echt, dat in de toekomst elektriciteit uit zonnecellen, windmolens en kerncentrales een goede vervanger is van olie, als onze ecologische voetafdruk momenteel onaanvaardbaar hoog is? Kunnen we tegen die tijd met elektriciteit uit zonnecellen, windmolens en kernenergie nog al die auto's, vrachtwagens, vliegtuigen, tractoren, enz. wereldwijd laten draaien?

Zijn in zo'n situatie grote voedselproblemen niet voorspelbaar, als:
1. de rijke landen voor hun energiecrisis steeds meer landbouwgrond gaan gebruiken voor gewassen, die als biobrandstof zullen worden gebruikt.
2. door klimaatverandering er steeds meer misoogsten zullen zijn.
3. door gebrek aan fossiele brandstoffen voor de gemechaniseerde landbouw, de voedsel-opbrengsten per m2 met soms wel een factor 2000 zullen afnemen.
4. de rijke landen blijven streven naar economische groei. Wordt door de georganiseerde hebzucht en de aftrekbaarheid van reclamekosten de ecologische voetafdruk van de rijken niet steeds groter, en voor de armen steeds kleiner?
5. de voedsel-productie steeds meer in handen komt van een kleine rijke groep, die straks de prijs van ons voedsel gaat bepalen. Is gemonopoliseerd kapitalisme niet een tegenspraak, en globalisering een vorm van kolonialisme?
6. door gebrek aan fossiele brandstoffen, het voedsel vanuit andere landen niet meer met vrachtwagens en vliegtuigen kan worden vervoerd naar de rijke landen. Ook de van voedsel-import afhankelijke rijke landen (zoals Nederland) krijgen dan te maken met voedsel-tekorten.

B. Het verlies aan landbouwgrond door naoorlogse stedenbouw.
Dankzij de olie wordt er momenteel net voldoende voedsel geproduceerd om de huidige 7 miljard mensen te voeden. Weliswaar lijdt 1 miljard mensen daarvan aan ondervoeding, maar bij gelijke verdeling zou er gemiddeld nog genoeg zijn voor iedereen. Maar wat gebeurt er in 2050, als we die extra 2 miljard mensen nog een fatsoenlijk onderkomen in de stad willen waarborgen, als bij de huidige vorm van stedenbouw elke stadsbewoner 2000 m2 landbouwgrond in beslag neemt?

Er leven nu 2.5 miljard in steden en 1 miljard in krottenwijken. Gezamenlijk leggen die beslag op 1 miljoen km2 stadsgrond (gemiddeld 300 m2 per inwoner). Als er in 2050 in de steden 2 miljard mensen extra in de stad zullen leven, dan zal daarvoor nog eens 4 miljoen km2 landbouwgrond of natuur moeten worden ingeleverd.

Voor de huidige 7 miljard mensen is er globaal 24 miljoen km2 vruchtbare landbouwgrond beschikbaar, d.i. 3500 m2 per inwoner. Als we vanwege de biodiversiteit de natuur sparen, dan wordt dat in 2050 voor 9 miljard mensen dus 20 miljoen km2, d.i. 2200 m2 per inwoner. Binnen één generatie is er dan 40% minder landbouwgrond beschikbaar, zodat globaal 1/3 deel van de wereldbevolking geen eten meer heeft.

In Nederland hebben we momenteel slechts 1400 m2 landbouwgrond per inwoner.

C. De beeldvorming rond het begrip "grootschaligheid".
Waarom maakt geen enkele politieke partij zich daar druk over? Wat is de oorzaak?

In alle bestemmingsplannen staat sinds de oorlog, dat wonen, winkelen en werken van elkaar moeten worden gescheiden. Met uiterst goede bedoelingen is dat wettelijk bepaald. Het is het begin van de verspillingseconomie, waaruit later o.a. de schulden- en energiecrisis zijn ontstaan.

Deze wettelijke bepaling heeft alleen maar zeer "onduurzame" gevolgen, t.w.:

1. In de naoorlogse steden moet vrijwel iedereen over een auto beschikken om zijn dagelijkse dingen te kunnen doen, zowel man als vrouw. Per huishouden dus minimaal twee auto's.
2. Autoverkeer geeft onveilige straten, overal geparkeerde auto's, veel stank en lawaai, olie-afhankelijkheid, CO2-uitstoot en dus klimaatverandering. Het naoorlogse autoverkeer maakt zowel de vooroorlogse als de naoorlogse steden onleefbaar.
3. Omdat mensen vanuit de naoorlogse steden over grote afstanden naar hun werk moeten, zijn er heel veel wegen aangelegd, hetgeen de files steeds langer of de wegen steeds breder maakt.
4. Vanwege de lage dichtheid, grootschalige vormgeving en werkvrije gebieden zijn de naoorlogse kleine steden saai, ongezellig, onbehaaglijk en olie-verspillend. De vooroorlogse grote steden met een veel hogere dichtheid, kleinschalige vormgeving en veel werkruimten zijn gezellig, bruisend en intiem, terwijl de bouwhoogten niet veel anders zijn.
5. Naoorlogse steden hebben veel meer landbouwgrond of natuur nodig als vooroorlogse steden. Op 1 km2 wonen in kleinschalige binnensteden 10.000 inwoners, d.i. 100 m2 per inwoner. In de ongezellige grootschalige nieuwbouwwijken wonen momenteel op 1 km2 700 inwoners. Als deze trend naar verdunning zich doorzet, en we de benodigde wegenaanleg voor naoorlogse steden meenemen in de berekening, dan zitten we binnenkort op 500 inwoners op 1 km2, d.i. 2000 m2 per inwoner. Ieder zijn eigen bungalow. Als landen als China, India, Brazilië, enz. hun steden net zo gaan bouwen als wij na de oorlog gedaan hebben, dan is de ramp niet te overzien. Er gaat dan zoveel landbouwgrond verloren, dat er grote voedselproblemen ontstaan. De ecologische voetafdruk neemt dan op wereldschaal zo schrikbarend toe, dat onze huidige gerichtheid op duurzaamheid in de vorm van elektrische auto's, zonnecellen, windmolens, kerncentrales nog nauwelijks enig gewicht in de schaal legt.
6. Door het grote beslag op landbouwgrond zijn de stichtingskosten van woningen en werkruimten dubbel zo hoog zijn als nodig.
7. Door de lage dichtheid duurt de bouwtijd tweemaal zo lang als steden met hoge dichtheid.

Conclusie: Waarom al dat gedoe over "duurzaamheid" als het niets oplost, terwijl je het met vooroorlogse stedenbouw kunt oplossen door het schrappen van één zin uit het bestemmingsplan?

D. De beeldvorming rond het begrip "duurzaamheid".
Wanneer spreken we van duurzaamheid? Is het mogelijk via duurzaamheid de ecologische voetafdruk van 6.2 ha in Nederland te verminderen naar de vereiste 1.8 ha? Is het niet eerder zo, dat elke wettelijke gerichtheid op duurzaamheid leidt tot onduurzaamheid? Zo werden in de jaren zeventig, toen armoedebestrijding ongemerkt was overgegaan in georganiseerde hebzucht, alle bewoners door onze regering verplicht hun gebouwen "duurzaam" te maken, d.w.z. alle gebouwen moeten voortaan goed geïsoleerd worden en aangepast aan de eisen van de tijd. Hierdoor kwamen mensen die in oudere gebouwen zitten voor een dilemma. Ofwel het oude gebouw goed isoleren, hetgeen kostbaarder bleek als nieuwbouw, ofwel het bestaande gebouw slopen en nieuw bouwen. Onder invloed van deze wettelijke verplichting zijn over de hele wereld veel oude dorpjes verdwenen en vervangen door Almere-achtige nieuwbouw, terwijl veel nieuwe gebouwen moesten worden voorzien van kostbare, energievretende koelinstallaties. In de jaren zeventig heeft Den Uyl nog wel eens voorgesteld de Amsterdamse grachten te slopen en te vervangen door Bijlmer-achtige, aan de tijd aangepaste woningen. Dankzij verontruste burgers is dat voorkomen en inmiddels zelfs tot werelderfgoed verklaard. Onder invloed van het begrip "duurzaamheid" worstelt momenteel onze regering met de vraag, of we alle overgebleven woningen van vóór de jaren zeventig alsnog niet moeten laten afbreken omwille van aanpassing aan de tijd. Onder invloed van het begrip "duurzaamheid" moeten we dan alle gebouwen van vóór de jaren zeventig slopen. We hebben het dan wel over 95% van onze oudere dorpen en steden, inclusief alle monumenten die daar staan. Is kapitaalvernietiging een vorm van duurzaamheid of van onduurzaamheid?

E. Naar een nieuwe vorm van samenleven.
Kunnen we niet gewoon het olieverbruik enorm beperken door het voortaan bouwen van andere kleinschalige steden met een veel hogere dichtheid (á la Amsterdam-Centrum), zodat: 1. niet langer 2000 m2 landbouwgrond per stadsbewoner verloren gaat. 2. het niet langer meer noodzakelijk is om een auto te hebben, om bij je werk of winkels te komen?Mijn voorstel is zelfredzame steden, kleinschalige (www.piramidestad.nl), die geen m2 landbouwgrond en geen fossiele brandstoffen meer gebruiken, door wonen en werken te integreren.

De weinige energie, die voor zo'n stad dan nog nodig is, kan voldoende komen uit diepe geothermie. Buiten de melk- en vleesproductie zijn met de Plantlab-methode binnen deze steden voldoende gewassen te produceren voor voedsel en kleding voor alle inwoners van zo'n stad. Een dienstplicht voor bv. 18-jarigen kan er dan voor zorgen, dat iedereen in die stad kosteloos voldoende te eten en grondstoffen voor kleding heeft. I.p.v. globalisering zijn deze steden gericht op lokalisering, socialisering en ontmoeten, met zowel een geglobaliseerde als een lokale munt.

Verdere voordelen van piramidesteden (10-laagse bebouwing) of -dorpen (1-laagse bebouwing):
a. Voor lange perioden van droogte zijn er grote watervoorraden in de kelder-ruimten te organiseren.

b. Deze steden zijn bestand tegen aardbevingen, orkanen, overstromingen en de klimaatverandering. c. Vanwege het zelfredzame karakter is het mogelijk te bouwen in onherbergzame gebieden of op zee, waardoor nog meer landbouwgrond kan worden bespaard. d. Vanuit deze zelfredzame nieuwe steden is onvruchtbare grond vruchtbaar te maken.

e. De stichtingskosten van zowel woningen als bedrijfsruimten kunnen worden gehalveerd. f. Wonen op maximaal 500 meter van/en uitzicht op de omliggende natuur, hetgeen het einde van de onleefbare en onveilige geglobaliseerde megapolissen betekent. g. Geen verdere verrommeling van het platteland door industrieterreinen.

Bestaande steden kunnen aan deze principes worden aangepast. Een "nadeel" is, dat dergelijke steden/dorpen de economische groei zullen aantasten, want de werkgelegenheid in de olie-afhankelijke landbouw en transportsector gaat dan grotendeels verloren. Om alle inwoners van dergelijke steden/dorpen te kunnen voorzien van voedsel, kleding en een fatsoenlijk onderkomen heeft slechts een klein gedeelte van de bevolking een werkplicht. De rest is vrij, en kan vrijwillig gaan werken of niet. Het zou het einde kunnen betekenen van de georganiseerde hebzucht.

De feiten:
Aardoppervlak 510 miljoen km2, waarvan 4.71% landbouwgrond, d.i. 24 miljoen km2.
Bij 7 miljard inwoners is dat per inwoner 3428 m2 landbouwgrond, afgerond 3500 m2.

In Nederland is 55% van het totaaloppervlak (40.840 km2) landbouwgrond, d.i. 22.462 km2.
Bij 16 miljoen mensen is dat per inwoner 1403 m2 landbouwgrond, afgerond 1400 m2.

De beschikbare ecologische voetafdruk bij 7 miljard bewoners is 1.8 ha. Bij 9 miljard 1.4 ha.

De ecologische voetafdruk op de wereld is nu 2.7 ha. Bij 9 miljard 2.1 ha.

In Nederland is dat nu 6.2 ha.
In de USA is dat nu 8.0 ha.
In China is dat nu 2.9 ha.
In India is dat nu 0.9 ha.
In Afrika is dat nu 1.4 ha.

Conclusie A:
Als ontwikkelingslanden hun steden net zo gaan bouwen als wij na de oorlog, dan zal de ecologische voetafdruk van die landen schrikbarend toenemen.

Conclusie B:
Als Nederland duurzaam gaat produceren, verandert de ecologische voetafdruk niet.
De feiten over grootschaligheid en kleinschaligheid:
Amsterdam-Centrum. 81.110 inwoners op 8.04 km2, d.i. op 1 km2 9.900 inwoners.
New York. 8.3 miljoen inwoners op 789.4 km2, d.i. op 1 km2 9.500 inwoners.
Het kleinschalige Amsterdam en het grootschalige New York hebben op 1 km2 10.000 inwoners.

Conclusie 1:
De dichtheid zegt niets over klein- en grootschaligheid.

Conclusie 2:
De dichtheid zegt niets over de bouwhoogten.

Conclusie 3:
Kleinschaligheid oogt vriendelijker als grootschaligheid.
Amsterdam-Bijlmermeer. 84.811 inwoners op 22.08 km2, d.i. op 1 km2 2.600 inwoners.
Amsterdam. Totaal 784.840 inwoners op 219.33 km2, d.i. op 1 km2 2.790 inwoners.
Tokio. 35.327 miljoen inwoners op 13.500 km2, d.i. op 1 km2 2.610 inwoners.

Conclusie 4:
De dichtheid zegt niets over het aantal inwoners, waar je tussen woont.
Almere. 191.239 inwoners op 129.6 km2, d.i. op 1 km2 677 inwoners. (+ wegenstelsel)
Heerhugowaard. 51.985 inwoners op 38.4 km2, d.i. op 1 km2 738 inwoners. (+wegenstelsel)

Conclusie 5:
Hoe hoger de dichtheid, hoe gezelliger, leefbaarder en bruisender.

Conclusie 6:
Naoorlogse steden tenderen naar een dichtheid van 500 inwoners per km2.

Eén-laagse piramidedorpen hebben op 1 km2 10.000 inwoners (Amsterdam-New York).

Tien-laagse piramidesteden hebben op 1 km2 100.000 inwoners. Dit is verantwoord, omdat alle wegen, parkeerruimten, voedselvoorziening, winkels, bedrijfsruimten, kantoren, scholen, bioscopen, kerken, theaters, enz. enz. apart onder de woningen liggen. Iedereen woont rond een voetbalveld. De benodigde stadsgrond voor 2 miljard bewoners kan dan worden teruggebracht van 4 miljoen km2 (oppervlakte Europa zonder Rusland) naar 20.000 km2 (helft Nederland).


______________________________________________________


Presidenten komen met strategie voor duurzame ontwikkeling
31 januari 2012 door IPS

NEW YORK - Een VN-panel van staatshoofden en andere hoge vertegenwoordigers heeft een langverwachte strategie gelanceerd met 56 aanbevelingen op het gebied van wereldwijde duurzaamheid.

De voorstellen zijn gisteren gepresenteerd in Addis Abeba door de voorzitters van het panel, de Zuid-Afrikaanse president Jacob Zuma en de Finse president Tarja Halonen.

Het panel stelt onder andere voor om ecologische vooruitgang te meten met een nieuwe Duurzame-ontwikkelingsindex, om een Raad voor Wereldwijde Duurzame Ontwikkeling op te richten die de huidige VN-commissie moet vervangen, en om een Wereldwijd Fonds voor Onderwijs in het leven te roepen. Er moet een nieuwe "groene revolutie" komen om grondstoffengebruik te verminderen en de productiviteit te verdubbelen. Met een jaarlijks wetenschappelijk rapport moet de kennis uit verschillende sectoren worden geïntegreerd.

"Ik heb duurzame ontwikkeling als eerste prioriteit gekozen voor mijn tweede termijn", zei secretaris-generaal Ban Ki-moon bij de presentatie. "Zowel wetenschap als economie laten zien dat de huidige koers niet duurzaam is."

Crisis
Het panel werd anderhalf jaar geleden opgericht, met daarin 22 huidige en voormalige staatshoofden en bewindvoerders, plus vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de civiele samenleving. Zuma vertelde journalisten dat beleidsmakers in deze crisistijden hongerig zijn naar nieuwe ideeën. "Ons rapport maakt duidelijk dat duurzame ontwikkeling belangrijker is dan ooit, gegeven de meervoudige crises in de wereld." Volgens Halonen moet de uitroeiing van armoede en het vergroten van gelijkheid de prioriteit voor de wereldgemeenschap blijven.

Het rapport, met de titel Veerkrachtige mensen, veerkrachtige planeet, wil een "nieuwe blauwdruk" geven voor "duurzame ontwikkeling en CO2-arme welvaart". De voorstellen zijn ingedeeld in drie gebieden: mensen de mogelijkheid geven om duurzame keuzes te maken; toewerken naar een duurzame economie; en de instituties versterken om duurzame ontwikkeling te ondersteunen.

De voorstellen zullen worden besproken op de VN-Conferentie over Duurzame Ontwikkeling in Brazilië (Rio+20), in juni.



______________________________________________________


Droogte dreigt weer in Argentinië
BUENOS AIRES , 27 januari 2012 (IPS )

Een gebrek aan neerslag leidt nu al tot verminderde landbouwproductie in Argentinië, met name voor maïs en soja. De producenten en de overheid maken zich zorgen.

In 2008-2009 werd Argentinië al eens zwaar getroffen door ergste droogte in honderd jaar. De oogst viel met 37 procent terug en ook de veestapel had te lijden. Deze keer is het nog niet zo erg, maar nu is al duidelijk dat de landbouwproductie klappen krijgt.

"Voor dit jaar was een recordopbrengst in de graanproductie voorspeld van 111 miljoen ton, maar door het gebrek aan neerslag zal die eerder 97 ton bedragen", zegt analist Gustavo López van Agritrend Argentina. Vooral maïs loopt gevaar, zegt López. De schade is al toegebracht, en zelfs als het nu volop zou regenen kan de trend niet gekeerd worden. Mogelijk wordt de schade even groot als in het seizoen 2008-2009.

Verminderde oogst
Voor dit jaar was een opbrengst van 29 miljoen ton voorzien, maar die is al bijgesteld tot 22 miljoen ton. Het ministerie van Landbouw heeft 91 miljoen euro opzij gezet voor hulp aan landbouwers die het zwaarst te lijden hebben onder de droogte. In sommige regio's is de oogst met bijna een derde verminderd.

"We weten niet wat er zal gebeuren", zegt parlementslid Omar Barchetta, voorzitter van de Argentijnse Landbouwvereniging. "De projecties veranderen van dag tot dag. Ik kan niet zeggen of de droogte erger wordt of niet dan de vorige. Ik sprak net met een boer uit de zuidelijke regio Santa Fe, die al zijn maïs en 30 procent van zijn sojabonen is verloren."

Volgens meteorologen is het weinig waarschijnlijk dat de droogte even intens wordt als de vorige keer, maar uitsluiten kunnen ze het niet. Er werd gehoopt op neerslag in het midden van januari, maar die bleek te licht en te fragmentarisch. Op 23 januari was er wel meer regen, wat vooral voor de productie van soja goed nieuws was.

Export
De economische gevolgen zijn groot voor een land dat sterk afhankelijk is van de uitvoer van landbouwproducten. Argentinië is de tweede grootste exporteur van maïs in de wereld, na de VS. Volgens López zal de landbouwexport met zo'n 3,8 miljard euro dalen, door de verminderde oogst in combinatie met een wereldwijde daling van de prijzen.

De overheid deelt in de klappen, want de lagere uitvoer betekend ook zo'n 1 miljard euro minder exporttaksen, schat López. Andere analisten zien de daling nog sterker worden.


______________________________________________________


Twee jaar na het einde van het Bo volk worden ook de Jarawa 'bedreigd met uitsterven'
Survival International persbericht 27 januari 2012

Twee jaar nadat op de Indiase Andamaneilanden de laatste inheemse spreker van de Bo-taal overleed, heeft een gerenommeerde taalkundige gewaarschuwd dat de Jarawa-stam getroffen kan worden door een vergelijkbaar lot als de weg die door hun reservaat loopt niet afgesloten wordt.

Professor Anvita Abbi, die gespecialiseerd is in bedreigde talen, heeft onlangs een woordenboek gepubliceerd waarin vier van de oudste talen zijn gedocumenteerd die nog gesproken worden.

Haar stelling is dat 'als er geen alternatieve zeeroutes worden ingesteld, we niet het voortbestaan kunnen garanderen van de taal, de tradities en de identiteit van een van 's werelds oudste beschavingen'.

Het tijdstip van professor Abbi's grimmige prognose is niet toevallig. Het is precies twee jaar geleden dat met het overlijden van Boa Sr ook het 'Bo', een van de tien Groot Andamanese talen, uitstierf.

De Groot Andamanezen waren de buren van de Jarawa, totdat de Indiase regering hen in 1970 onder dwang wegvoerde naar Strait Island.

Telden ze vroeger 5000, nu zijn ze nog slechts met 56 mensen.

Voor haar dood uitte Boa Sr tegenover Anvita Abbi haar verdriet over de teloorgang van haar taal: "De Jarawa hebben gelukkig alle contact met stadsbewoners vermeden. Het is geweldig dat ze voor hun eten en onderdak niet afhankelijk van buitenstaanders zijn. Onze jongens weten niets af van jagen en kunnen niet voor hun eigen voedsel zorgen."

Om te herdenken dat ze twee jaar geleden overleed, heeft Survival International een unieke video-opname uitgebracht waarop Boa Sr spreekt over het belang van taalbehoud.

Boa Sr: "Als ze nu al niet met me spreken, wat zullen ze dan doen als ik dood ben? Vergeet onze taal niet. Laat ze niet verloren gaan."
Anvita Abbi vertelde Survival dat Boa Sr 'niet wist dat de Jarawa op korte termijn hetzelfde zou dreigen te overkomen als eerder de Groot Andamezen'.

Survival-directeur Stephen Corry verklaarde vandaag: "Het is van het allergrootste belang dat de Indiase regering de Andaman Trunk Road afsluit, zeker nu bewezen is dat er nog steeds 'safari's' naar de Jarawa worden georganiseerd, wat wereldwijd verontwaardiging heeft opgewekt. De openbare uitspraak die minister Chidambaram onlangs deed om 'niets aan de stam op te dringen of op te leggen' is uitermate bemoedigend, maar het enige wat echt garanties biedt is het afsluiten van de weg. De dood van Boa Sr en de gevolgen daarvan voor het erfgoed van haar cultuur zouden voldoende waarschuwing moeten zijn."


______________________________________________________



Wild westvisserij in verre wateren
WereldNatuurFonds, 25 januari 2012

Zeist - Europese vissersvloten zwermen steeds sneller uit over de oceanen om gebieden leeg te vissen. Geholpen door brandstofsubsidies en visserijovereenkomsten met ontwikkelingslanden exploiteren ze in hoog tempo visgronden en trekken vervolgens weer verder. Een studie in opdracht van het Wereld Natuur Fonds (WNF) laat zien dat de meeste rederijen die tactiek van de verschroeide aarde buiten Europa toepassen en Europese regelgeving voor verantwoorde visserij omzeilen.

Het rapport 'Expansie van Europese en niet-Europese vloot op de wereldzee van 1950 tot heden' van de University of British Columbia in Canada schetst voor het eerst op een interactieve wereldkaart hoe dramatisch de impact van visserij wereldwijd is toegenomen. Het toont ook aan dat Europese vloten sinds 1980 sneller bewegen over de oceanen, op zoek naar nieuwe visgronden. Door teruglopende vangsten in eigen wateren, vaak door langdurige overbevissing, en pogingen van de Europese Unie om de overcapaciteit aan schepen aan te pakken zoeken zij hun heil in verste uithoeken van de oceanen.

Oorzaken expansie
De onderzoekers wijzen drie oorzaken aan voor die expansie. In de eerste plaats sluiten grote visserijbedrijven overeenkomsten met ontwikkelingslanden om voor hun kust te vissen. Daarnaast onttrekken rederijen zich aan Europese regelgeving door onder een niet-Europese vlag te varen, het zogenoemde omvlaggen. Ten slotte profiteren schepen van brandstofsubsidies, waardoor ze verder en langer kunnen varen.

De Europese Unie werkt momenteel aan de herziening van het Europese Visserijbeleid. Het WNF roept de lidstaten op om daarin vast te leggen dat hun visserijvloten voortaan altijd aan de EU-regels zijn gebonden, waar ter wereld zij ook vissen. Om plundering van visgronden in te dammen moet Europa in internationale visserij-organen krachtiger inzetten op duurzaam beheer van visbestanden. Dat is ook in het belang van grote visserijlanden als Rusland, China en Japan. In de Regional Fisheries Management Organisations (RFMO) toont de EU te weinig ambitie voor een duurzamere visserij. Verder vraagt WNF aan de EU om het budget voor visserij in verre wateren van 1 miljard euro absoluut niet in te zetten voor schadelijke vistechnieken.

Nederlandse voorbeelden
Het Nederlandse kabinet heeft zich er eerder voor uitgesproken om verantwoorde visserij ook buiten de EU de norm te laten zijn. Nederland kan daardoor een belangrijke rol spelen in een duurzamere Europese vissersvloot. ,,Het Europees visserijbeleid wordt slechts eens in de tien jaar herzien'', aldus Carel Drijver, hoofd oceanen en kusten van het Wereld Natuur Fonds. ,,Daarom is er nu een unieke kans om Europese vissersvloten wereldwijd duurzaam te laten vissen. Het is hoog tijd dat Europa zich verantwoordelijk voelt voor haar vloot buiten Europese wateren. De meeste vloten vissen achteloos visgronden leeg, zonder achterom kijken. Er zijn gelukkig ook enkele initiatieven van Nederlandse rederijen om buiten Europese wateren tot duurzame visserij te komen. Dergelijke positieve uitzonderingen moeten snel de norm worden in Europa.'




__________________________________________________________


NFC steunt onderzoek naar 'landjepik' in Uganda
Oxfam/novib 24 januari

De Engelse houtproducent New Forests Company (NFC) heeft eind december toegezegd mee te werken aan een onderzoek naar de gevolgen van investeringen in land in Uganda. De deelname van NFC is van cruciaal belang op weg naar recht voor duizenden Ugandese boeren.

Dankzij druk
Het besluit van NFC komt na druk van Oxfam en lokale Ugandese dorpsgemeenschappen, gesteund door duizenden deelnemers aan de wereldwijde GROW-campagne. In Nederland voerde Oxfam Novib, als onderdeel van de GROW-campagne, actie tegen NFC met WE EAT AFRICA.

In een rapport van Oxfam 'Land and Power'- gepubliceerd in september 2011 - geven verschillende Ugandese boeren aan van hun land verjaagd te zijn door NFC. In totaal zou het gaan om meer dan 22.500 mensen. Zij vertelden dat daarbij soms geweld is gebruikt en dat hun bezittingen zijn vernield. NFC zei niet voor de ontruimingen verantwoordelijk te zijn.

Compliance Advisor/Ombudsman
Oxfam heeft samen met lokale gemeenschappen de 'Compliance Advisor/Ombudsman' (CAO) van de situatie op de hoogte gesteld. De CAO is een onafhankelijk bureau dat klachten behandelt over investeringen door de International Finance Corporation (IFC) - de tak van de Wereldbank voor private investeringen - en het Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA).

Onafhankelijk onderzoek
De Compliance Advisor/Ombudsman stelt nu een onafhankelijke, onpartijdige commissie in die de vermeende misstanden tot in detail onderzoekt. Daarna kunnen voorstellen tot oplossing van het probleem worden uitgewerkt. Volgens Oxfam is de steun van NFC aan dit proces een belangrijke eerste stap naar een rechtvaardige afhandeling van de kwestie voor duizenden Ugandese boeren.



__________________________________________________________


'Wonderboom' helpt tegen ondervoeding in Zuid-Afrika
KAAPSTAD 25 januari 2012 IPS

De bladeren van de 'wonderboom' kunnen in sommige gevallen net zo goed werken als internationale voedselhulp, zeggen deskundigen. De snelgroeiende, droogteresistente boom met extreem voedzame bladeren wordt in Zuid-Afrika al gebruikt om ondervoeding tegen te gaan.

In het dorp Tooseng in Limpopo, een van de armste provincies van Zuid-Afrika, maakt een plantage van 15 hectare met 'wonderbomen' al een verschil. De bladeren van de Moringa oleifera (de botanische naam voor de boom), staan bekend als 'supervoedsel'. Volgens wetenschappers bevatten ze de calcium van vier glazen melk, de vitamine C van zeven sinasappels, kalium van drie bananen, drie keer de hoeveelheid ijzer uit spinazie, vier keer de hoeveelheid vitamine A uit een wortel en twee keer de hoeveelheid eiwit uit melk.

Mavis Mathabatha, een voormalige onderwijzeres uit Tooseng, heeft de afgelopen drie jaar hard gewerkt om de plantage te laten groeien. "Ik wil hier in de omgeving iets bijdragen, maar ook in de provincie en landelijk", zegt ze.

In 2009 haalde ze de oogst binnen van de eerste bomen die ze geplant had, en begon ze met het drogen en malen van de bladeren. De vermalen bladeren werden vervolgens over het eten gestrooid van ongeveer vierhonderd kinderen van het plaatselijke opvangcentrum Sedikong sa Lerato.

Het centrum verstrekt maaltijden aan kinderen uit arme gezinnen. Bijna alle kinderen uit Tooseng, dat te maken heeft met hoge werkloosheid, ondervoeding en veel hiv-besmettingen, vallen in die categorie.

Betere weerstand
"De resultaten waren bijna direct zichtbaar", zegt Elizabeth Serogole, manager van het centrum. "De gezondheid van de kinderen verbeterde snel." Veel kinderen vertoonden tekenen van ondervoeding, zegt ze, zoals open zweren op de huid. Die verdwenen toen de kinderen regelmatig van de bladeren begonnen te eten.

De moringa-bladeren verbeteren ook de weerstand van de kinderen, zodat ze minder vatbaar worden voor ziekten, zegt Serogole. "En veel kinderen kunnen zich nu beter concentreren op school." Alles wat daarvoor nodig was, was een theelepel bladpoeder per dag.

Samson Tesfay, postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit van KwaZulu-Natal, bevestigt dat moringa verschillende positieve gezondheidseffecten heeft. "De plant is uniek in de zin dat elk deel ervan gebruikt kan worden. Hij heeft medicinale eigenschappen, maar kan ook gebruikt worden als voeding of voor praktische doeleinden.

De bladeren helpen bij de genezing van huidinfecties, verlagen hoge bloeddruk en bloedsuiker, verminderen zwelling, genezen maagzweren en werken kalmerend op het zenuwstelsel, zegt Tesfay. De boom, die oorspronkelijk uit Noord-India komt, wordt al eeuwenlang gebruikt in de Ayurvedische geneeskunst.

Waterzuivering
Het zaad van de plant kan volgens Tesfay gebruikt worden om water te zuiveren op plaatsen waar geen schoon drinkwater is. "De zaden zijn in staat 98 procent van de onzuiverheden en microben te verwijderen uit water."

De slanke boom heeft weinig water nodig en groeit snel. In een jaar tijd kan hij drie meter hoog worden. Zelfs in Tooseng, een droge regio die in de afgelopen jaren geregeld te maken had met gebrek aan neerslag, groeit de boom gestaag.

Moringa is volgens voedselexperts breed inzetbaar om honger te bestrijden, omdat de boom kan groeien in alle subtropische regio's in de wereld waar sprake is van droogte en ondervoeding. Het gaat dan om de meeste delen van Afrika, Centraal en Latijns-Amerika, het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië.

Export
Sinds 2009 heeft Mathabatha haar plantage beetje bij beetje uitgebreid. Ze vroeg daarvoor een financiële bijdrage aan bij het regiokantoor van Southern Africa Trust. Momenteel is ze eigenaar van 13.000 moringabomen.

De 52-jarige Mathabatha heeft inmiddels ook meer dan 6000 moringa-kiemplanten verspreid onder arme gezinnen in de omgeving van Tooseng en geeft hen voorlichting over het gebruik van de bladeren. Het bladpoeder dat ze produceert op haar eigen bedrijf, wordt niet alleen in Zuid-Afrika gebruikt. Ze exporteert het ook naar Botswana, Swaziland en Lesotho. "Ik hoop in de komende jaren nog verder te groeien", zegt ze. "Er is veel vraag naar mijn product."




__________________________________________________________



Meer Afrikaanse landen gaan vooruit in strijd tegen honger
NAIROBI 20 januari 2012 IPS

Steeds meer Afrikaanse landen boeken aanzienlijke vooruitgang in de strijd tegen extreme honger en armoede. Het gaat onder meer om Ghana, Liberia, Malawi, Rwanda, Sierra Leone en Zuid-Afrika.

Dat meer Afrikaanse landen terrein winnen op extreme honger en armoede, blijkt uit gegevens van ActionAid International en uit onderzoek van Acord, de Association for Cooperative Operations Research and Development, een autoriteit op het vlak van voedselzekerheid in Afrika.

In Ghana bijvoorbeeld is het aantal mensen dat in voedselonzekerheid leeft de laatste vijftien jaar gedaald van 34 naar 8 procent. In Sierra Leone is de landbouwoppervlakte sinds het einde van de burgeroorlog in 2002 gevoelig gestegen, waardoor het aantal mensen met honger met bijna 10 procent is gezakt.

Investeren in landbouw
"De Afrikaanse landen die vooruitgang geboekt hebben in het voeden van hun bevolking, hebben dat vooral gedaan door te investeren in kleinschalige boeren, die samen goed zijn voor meer dan 90 procent van de Afrikaanse landbouwproductie", zegt de Keniaanse landbouwonderzoeker Nancy Mumbi.

De Rwandese landbouw is de laatst vijf jaar met gemiddeld 4,5 procent gestegen, zegt George Nderi, marktanalist in Nairobi. "De landbouw draagt ongeveer 36 procent bij tot het bruto binnenlands product, de hoogste bijdrage in Oost-Afrika."

Malawi streeft er sinds 2005 naar minstens 10 procent van zijn begroting aan landbouw te besteden. Kenia besteedde vorig jaar 4 procent van zijn begroting aan landbouw, dit jaar sprong dat naar 9 procent. Ghana geeft net zoals Rwanda mestsubsidies aan boeren. Senegal doet dat ook en heeft de ambitie om tegen 2015 zijn hele bevolking voedselzekerheid te bieden.

Droogtegevoelig
"Het is opmerkelijk dat ook sommige droogtegevoelige landen het aantal mensen met voedselonzekerheid hebben doen dalen", zegt Nderi. "In Ethiopië bijvoorbeeld is het aantal mensen met voedselonzekerheid het laatste jaar gedaald van 5,2 naar 3,2 miljoen mensen, een vermindering van de ondervoeding in het land met 32 procent."

Volgens cijfers van de Ethiopische overheid stierf in 1990 nog 20 procent van de kinderen jonger dan vijf, vandaag is dat teruggevallen tot 8,8 procent.

Andere landen die merkbare vooruitgang boeken, zijn Algerije, Marokko, Egypte, Tunesië, Botswana en Gabon.

Het is een stap in de goede richting, maar er valt nog veel te doen, zegt Ousainou Ngum, directeur van Acord. "Afrikaanse landen moeten hun investeringsbeleid nog meer afstemmen op landbouw en voedselproductie. De voedselcrisis op het continent is een gevolg van onsamenhangend beleid. Als leiders hun beleid niet goed coördineren, zullen miljoenen Afrikanen blijven sterven door voedseltekorten."



__________________________________________________________


Indiase kinderen ondervoed, ondanks economische groei
THIRUVANANTHAPURAM, India 22 januari 2012 IPS

Miljoenen kinderen in India zijn het slachtoffer van slechte gezondheidszorg. Ondervoeding, waar ongeveer 42 procent van de jonge Indiase kinderen aan lijdt, vormt een obstakel voor de menselijke ontwikkeling in een land waar de economie sterk groeit.

Rani, een driejarig meisjes uit het achtergebleven district Wayanad in het zuiden van de deelstaat Kerala, is al een jaar terug uit het ziekenhuis waar ze werd opgenomen voor buikgriep. Nog steeds heeft ze ondergewicht en ze lijdt geregeld aan diarree.

Rani is een van de miljoenen kinderen in India, een land dat 1,1 miljard inwoners telt, die onvoldoende gezondheidszorg krijgen.

Eerder deze maand noemde de Indiase premier Manmohan Singh ondervoeding een "nationale schande." Hij deed dat bij de presentatie van een rapport opgesteld door een coalitie van niet-gouvernementele organisaties. In het rapport wordt geconcludeerd dat 42 van de Indiase kinderen jonger dan vijf ondergewicht heeft.

Gezonde voeding
De ngo's deden onderzoek onder 73.000 huishoudens in negen deelstaten. Singh zei het te betreuren dat "ondanks indrukwekkende economische groei het aantal ondervoede kinderen onacceptabel hoog is." Hij wees op de invloed die onderwijs, gezondheid, hygiëne, schoon drinkwater en voeding op elkaar hebben.

R. Jayaprakash, universitair docent pediatrie aan het Governent Medical College in Thiruvananthapuram. zegt dat ondervoeding bij kinderen vooral een gevolg is van armoede en het geven van verkeerde voeding.

"Ondervoeding komt zowel voor in stedelijke gebieden als op het platteland, en onder alle sociale lagen van de bevolking. Als we dit probleem niet gecoördineerd aanpakken, zal India het millenniumdoel om de ondervoeding in 2015 te halveren, niet halen", zegt Jayaprakash.

Uit studies van het Nationaal Voedingsinstituut (NIN) in Hyderabad, blijkt dat 45 procent van de kinderen op het platteland ondergewicht heeft en bij 49,6 procent van die kinderen is sprake van groeiachterstand.

A. Laxmaiah, plaatsvervangend directeur van het NIN, zegt dat naast armoede en verkeerde voeding onwetendheid bijdraagt aan het hoge ondervoedingspercentage. "Zelfs goed opgeleide mensen weten soms weinig van goede voeding."

Structurele verwaarlozing
In een rapport dat de Wereldbank in de zomer van 2011 heeft gepubliceerd, staat dat naar schatting 60 miljoen kinderen in India ondergewicht hebben. Het rapport meldt ook dat 50 procent van de 1,1 miljard inwoners van het land moet leven van minder dan 1,25 dollar per dag.

Volgens het Informatiecentrum van de Verenigde Naties (UNIC) in New Delhi is het niet moeilijk de ondervoeding tegen te gaan. "India heeft een voedseloverschot en is een graanexporterend land. De ondervoedingsproblemen komen voort uit structurele verwaarlozing en systematisch falen." De problemen zijn te verhelpen als de overheid zich er actief mee gaat bemoeien, zegt hij.



__________________________________________________________



"Zuinige" biodiesel zorgt voor enorme uitstoot bij productie
UXBRIDGE , 20 januari 2012 (IPS)

Productie van biodiesel draagt meestal bij aan klimaatverandering, concludeert nieuw onderzoek. De CO2 die bij verbranding wordt bespaard, wordt volledig tenietgedaan door de CO2 die vrijkomt bij de aanleg van plantages.

Het enige groene aan biodiesel zijn de dollars die producenten ermee gaan verdienen. Dat is de conclusie van een onderzoek van het Centrum voor Internationaal Bosonderzoek in Bogor, Indonesië, dat vorige maand werd gepubliceerd in het tijdschrift Ecology and Society. De onderzoekers vergeleken twaalf locaties in zes verschillende landen waar palmolie, jatropha of soja wordt geteeld voor biodiesel.

Biodiesel uit palmolie van de plantages in de Indonesische veenbossen heeft een "CO2-schuld van tweehonderd jaar", zegt Louis Verchot, een van de onderzoekers. Dat wil zeggen dat de plantage twee eeuwen lang biodiesel moet leveren om de "CO2-schuld" teniet te doen, de CO2 die vrijkomt bij de landconversie.

Biodiesel is big business geworden. In acht jaar tijd is de productie vertienvoudigd. In 2010 werd er 11 miljard liter geproduceerd. Westerse regeringen stimuleren het gebruik ervan. De CO2-uitstoot is 40 tot 75 procent lager, volgens schattingen. Maar de veenbossen moeten eerst worden gekapt en verbrand, waardoor enorme hoeveelheden CO2 vrijkomen, zo'n 200 tot 300 ton per hectare, aldus Verchot. Vervolgens moet de grond worden drooggelegd. Wanneer het veen in contact komt met zuurstof, gaat het rotten en komt er jaarlijks nog zo'n 10 ton CO2 per hectare vrij.

Napoleon
Met andere woorden: als Napoleon palmolieplantages in Indonesië had aangelegd, zouden ze vanaf nu pas bijdragen aan de vermindering van CO2-uitstoot. "Maar ik ken geen enkele plaats ter wereld waar ze zo lang één gewas verbouwen", zegt Verchot.

De grootte van de CO2-schuld is altijd flink onderschat, zegt ook Ross Morrison van de Universiteit van Leicester, die al eerder met een analyse kwam voor de Internationale Raad voor Schoon Transport. Tropische veenbossen in Zuidoost-Azië houden meer CO2 vast dan tropisch regenwoud, maar worden in snel tempo geconverteerd naar winstgevende palmolieplantages. Dat heeft gevolgen voor het klimaat - nog afgezien van de gevolgen voor bedreigde diersoorten en voor de lokale bevolking die voor de plantages moet wijken. "Alleen al in Indonesië neemt het oppervlak van plantages op veengebied tot 2020 naar schatting toe tot een oppervlak van het Verenigd Koninkrijk", zegt Sue Page, mede-onderzoeker in Leicester.

Andere gewassen
Palmolie krijgt al langer kritiek, maar Verchot heeft ook gekeken naar biodiesel uit jatropha, geteeld in Afrika. Daarvan was de CO2-schuld gemiddeld honderd jaar, maar kon oplopen tot driehonderd jaar. De opbrengst is namelijk veel lager, zodat er veel meer land moet worden geconverteerd. Biodiesel uit Braziliaanse soja heeft een CO2-schuld van dertig jaar, een stuk lager, omdat de cerrado, de droge graslanden, weinig biomassa heeft. Maar het is niet bekend of soja jaar na jaar te telen is.

Ook in Europa is biodiesel niet zuiniger dan gewone brandstof, laat het onderzoek zien. Biodiesel uit soja en koolzaad zijn zelfs slechter. Bio-ethanol en biodiesel uit afval, zoals frituurvet, kunnen nog wel besparingen opleveren. "We zeggen dus niet dat biobrandstoffen allemaal verkeerd zijn", concludeert Verchot. "Wat we hebben ontdekt is dat de voorwaarden veel beperkter zijn dan mensen zich realiseren."



__________________________________________________________




Tienduizenden Ethiopiërs onder dwang verhuisd
BRUSSEL 17 januari 2012 IPS

De Ethiopische overheid heeft tienduizenden mensen onder dwang doen verhuizen om gebieden vrij te maken voor grootschalige landbouw, stelt de Human Rights Watch (HRW) in een nieuw rapport. In hun nieuwe dorpen ontbreekt het de gedwongen migranten aan voedsel, landbouwgrond en onderwijs.

Het rapport is gebaseerd op meer dan honderd interviews in Ethiopië en in vluchtelingenkampen in Kenia. De Amerikaanse mensenrechtenorganisatie HRW beschrijft hoe de inheemse bevolking in de Gembella-streek onder dwang samengebracht werd in nieuwe dorpen. Wie weigerde, werd bedreigd, aangevallen of gearresteerd door de veiligheidsdiensten.

"Mijn vader werd geslagen omdat hij weigerde naar het dorp te trekken met enkele andere ouderlingen", vertelt een van de dorpelingen. "Hij zei: 'ik ben hier geboren, net als mijn kinderen, ik ben te oud en wil hier blijven'. Hij werd geslagen met stokken en met een geweer en moest opgenomen worden in het ziekenhuis, waar hij stierf."

De voornamelijk inheemse bevolking in Gambella heeft nooit formele eigendomsrechten gehad over hun land. Daardoor gaat de overheid er in veel gevallen van uit dat het land onbewoond is of nauwelijks bewerkt wordt.

Infrastructuur
Volgens de Ethiopische regering heeft het programma tot doel om in een betere socio-economische infrastructuur te kunnen voorzien voor de bewoners. Maar daar is volgens het rapport weinig van te merken.

"Het programma van de Ethiopische regering om mensen in dorpen samen te brengen, heeft de dienstverlening voor de bevolking er niet op verbeterd, maar in de plaats daarvan hun inkomsten en voedselvoorziening ondermijnd", zegt Jan Egeland van Human Rights Watch. "De overheid moet het programma stoppen tot de nodige infrastructuur ter beschikking is en de mensen adequaat geconsulteerd zijn. Ze moeten ook gecompenseerd worden voor het verlies van hun land."

Campagne
Tegen 2013 wil de Ethiopische overheid 1,5 miljoen mensen doen verhuizen, niet alleen in Gambella maar ook in andere regio's. Volgens het plan moet de verhuis vrijwillig gebeuren en moet de bevolking in de nieuwe dorpen een nieuw inkomen krijgen.

Maar op het terrein ziet het er heel anders uit. De eerste golf van verhuizingen kwam er net op aan het begin van het oogstseizoen, en de bevolking kwam op droge en onvruchtbare terreinen terecht, zonder zaaigoed of meststoffen.

Volgens HRW is de gedwongen verhuizing de spreekwoordelijke druppel voor een bevolking die het al erg moeilijk heeft om te overleven in de regio.


__________________________________________________________



WikiLeaks onthult verborgen agenda van Westen in Haïti
16 januari 2012 (MO*)

Uit documenten die enkele maanden geleden al door de klokkenluiderswebsite WikiLeaks werden vrijgegeven, blijkt dat westerse landen er al jaren voor zorgen dat de politieke ontwikkelingen in Haïti hun economische belangen niet in het gedrang brengen. Vooral de agressieve houding van de Verenigde Staten is ontnuchterend. De onthullingen werpen vragen op over de slaagkansen van het reconstructieproces, dat sinds kort door de Haïtiaanse overheid geleid wordt.

Het lijkt er op dat democratie voor de westerse wereld een nobel idee is dat in Haïti ondergeschikt is aan de eigen economische en geostrategische belangen.

Wie dacht dat de westerse invloed in Haïti zich beperkt tot hulpverlening, komt bij het lezen van de 'Haiti cables' bedrogen uit. Enkele maanden geleden speelde WikiLeaks duizenden geheime diplomatieke documenten door aan het Haïtiaanse tijdschrift Haïti Liberté en het Amerikaanse weekblad The Nation. Beide bladen publiceerden op basis van de gelekte documenten een aantal artikels met ontnuchterende onthullingen over de rol van het Westen in Haïti.

De VS, Canada en Frankrijk zouden er met de steun van de Verenigde Naties al jaren voor zorgen dat de democratie in het straatarme land hun economische en geostrategische belangen niet schaadt. De gelekte informatie kreeg bijzonder weinig ruchtbaarheid in de media, maar is daarom niet minder gewichtig. De verborgen agenda van het Westen werpt immers vragen op over de perspectieven van de heropbouw van het land, zeker nu de verantwoordelijkheid hiervoor naar de Haïtiaanse overheid verschuift.

Aristide bedreiging
Uit de gelekte documenten blijkt dat de politieke vernietiging van de Haïtiaanse ex-president Jean-Bertrand Aristide en zijn beweging Fanmi Lavalas een centraal element vormt in het beleid dat de VS het afgelopen decennium - zonder enig verschil tussen Republikeinse en Democratische administraties - tegenover Haïti gevoerd hebben.

De socialistisch ingestelde Aristide werd in 1990 de eerste democratisch verkozen president van Haïti. Na een staatsgreep en drie jaar ballingschap werd hij in 2000 herkozen, maar in 2004 keek 'Titide' opnieuw tegen een coup aan en vertrok hij naar Zuid-Afrika. Volgens analisten hadden de VS, Frankrijk en Canada hierin een serieuze hand.

Uit de WikiLeaks documenten blijkt dat Amerikaanse overheidsvertegenwoordigers jarenlang een intensieve campagne hebben gevoerd om Aristide in Zuid-Afrika te houden. Hooggeplaatste vertegenwoordigers van de VS en de VN bediscussieerden onder andere een politieke vervolging van Aristide om te voorkomen dat hij bij het Haïtiaanse volk aan populariteit zou winnen en naar Haïti zou terugkeren. Ook diplomaten van Frankrijk, Canada, het Vaticaan en zelfs de Verenigde Naties zouden de afgelopen jaren gepoogd hebben om Aristide zwart te maken en de politieke beweging van de nog steeds erg populaire leider te breken.

Aristide zelf heeft zich altijd sterk uitgesproken tegen de aanwezigheid van Minustah, de VN-stabilisatiemissie die na zijn vertrek in Haïti geïnstalleerd werd. Volgens de WikiLeaks documenten vormt Aristides kritische houding één van de belangrijkste redenen waarom Washington hem uit Haïti poogde te weren.

In 2008 schreef Amerikaans ambassadeur Janet Sanderson: 'een vroegtijdig vertrek van Minustah zou de Haïtiaanse overheid kwetsbaar maken voor heroplevende populistische krachten die er anti-markt ideeën op nahouden. Dit zou de vooruitgang van de laatste twee jaar teniet doen.' Ze voegde daaraan toe dat Minustah voor de Amerikaanse overheid 'een onmisbaar instrument is om de centrale beleidsdoelstellingen in Haïti realiseren'. Washington zag in de populaire Aristide 'een gevaar op de versteviging van het democratische proces in Haïti'. Voor het Vaticaan was de voormalige katholieke priester dan weer 'een actieve voorstander van voodoo'.

Steun voor oneerlijke verkiezingen
Uiteindelijk slaagde Aristide er toch in om naar Haïti terug te keren. Dat gebeurde in maart van 2011, op de vooravond van de tweede ronde van de presidentsverkiezingen.

Uit de door WikiLeaks gelekte documenten blijkt dat de VS, de EU en de VN doelbewust hebben ingestemd om deze verkiezingen te steunen ondanks het feit dat d Het lijkt er op dat democratie voor de westerse wereld een nobel idee is dat in Haïti ondergeschikt is aan de eigen economische en geostrategische belangen. Dat de Haïtiaanse kiesraad de oppositie had onthoofd door Fanmi Lavalas - veruit de populairste partij - op basis van een formaliteit van de stembusgang te weren. De westerse landen geloofden dat dit 'haast zeker in samenwerking met aftredend president Préval' gebeurde, maar gaven toch hun fiat voor de verkiezingen.

Wanneer de resultaten van de eerste ronde betwist werden, organiseerden de internationale donoren een hertelling door de Organisatie van Amerikaanse Staten. Hieruit bleek dat Michel Martelly en niet Jude Celestin het in de tweede ronde tegen Mirlande Manigat moest opnemen. Uiteindelijk werd Martelly, een vriend van ex-president Préval en een fervent tegenstander van Aristide, president. Minder dan 23 procent van de Haïtianen namen deel aan de verkiezingen - een historisch lage opkomst.

Vragen bij Amerikaanse invasie
Toen de aardbeving Haïti twee jaar geleden trof, waren de VS er zeer snel bij om duizenden militairen naar het land te zenden. Bij hun aankomst in Port-au-Prince namen de Amerikaanse troepen prompt de luchthaven in, waardoor vluchten met cruciale hulp in de Dominicaanse Republiek moesten landen. Op het hoogtepunt van de Amerikaanse 'invasie' waren in Haïti maar liefst 22.000 Amerikaanse soldaten aanwezig.

De verantwoording voor de instroom van zoveel Amerikaanse militairen was de zogezegd onveilige situatie in Haïti. Uit de door WikiLeaks vrijgegeven documenten blijkt echter dat vertegenwoordigers van de Amerikaanse ambassade in Port-au-Prince geen ernstig veiligheidsprobleem zagen. Bovendien claimden de VN de situatie met de manschappen van Minustah onder controle te hebben. Ook de toenmalige Haïtiaanse president René Préval vroeg het Amerikaanse leger niet om bijstand.

Toch wilden de VS absoluut doorgaan met de ontplooiing van hun troepen. Het was daarbij wel bezorgd om de groeiende internationale kritiek over de unilaterale interventie. Zo vroeg Washington Préval om een gezamenlijk communiqué met Hillary Clinton waarin hij de VS indien nodig om veiligheidsbijstand vroeg. Het lijkt er dan ook sterk op dat de Amerikaanse militaire ontplooiing niet door de veiligheidssituatie, maar eerder door eigenbelang werd ingegeven.

Onzekere toekomst
De WikiLeaks documenten schetsen een ontnuchterend beeld van de ware intenties van het Westen, een beeld dat regelrecht indruist tegen de officiële retoriek die we in de massamedia te lezen krijgen. Het lijkt er op dat democratie voor de westerse wereld een nobel idee is dat in Haïti ondergeschikt is aan de eigen economische en geostrategische belangen.

Deze verborgen agenda plaatst grote vraagtekens bij de politieke toekomst van Haïti en daarmee ook bij de slaagkansen van het reconstructieproces. Met het einde van de Interim Commissie voor de Heropbouw van Haïti verschuift de verantwoordelijkheid voor de heropbouw naar de Haïtiaanse overheid, maar het is zeer de vraag of de westerse wereld zijn stevige politieke greep op het land zal lossen. Indien dit niet gebeurt, wordt het moeilijk om een reconstructieproces te realiseren dat daadwerkelijk door de Haïtiaanse bevolking geleid wordt.

De geschiedenis doet alvast weinig goeds vermoeden. Haïti vocht zich in 1804 dan wel als eerste slavenstaat ter wereld vrij, van een echte onafhankelijkheid heeft het van de internationale gemeenschap nooit mogen proeven. Zo ging het land bijna een eeuw gebukt onder een loodzware "onafhankelijkheidsschuld" en werd het tussen 1915 en 1934 door de VS bezet ter bescherming van Amerikaanse economische belangen. Zeker de laatste decennia werd Haïti kunstmatig in leven gehouden door de internationale gemeenschap.


__________________________________________________________



Zelfs recordoogst kan wereldgraanvoorraad niet aanvullen
13 januari 2012 door IPS , Janet Larsen

WASHINGTON - Er is afgelopen jaar meer graan geoogst dan ooit, maar doordat de consumptie bijna even hard groeit, blijven de voorraden zorgwekkend laag. Dat blijkt uit een analyse van nieuwe cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw.

In totaal werd er 2295 miljoen ton geoogst, 53 miljoen meer dan het vorige record in 2009. De consumptie groeide echter tot 2280 miljoen ton, bijna net zo veel. Doordat er in zeven van de afgelopen twaalf jaar werd ingeteerd op de mondiale voorraden, blijven de prijzen kwetsbaar voor prijsschokken.

Drie granen domineren de wereldproductie: tarwe, rijst en maïs, de laatste vooral als veevoer. Tarwe werd vroeger het meest geproduceerd, tot het in de jaren negentig werd ingehaald door maïs, als gevolg van een toegenomen vraag naar vlees. Daar kwamen later nog biobrandstoffen bij. Zowel maïs als tarwe en rijst braken hun records in 2011, met respectievelijk 868, 689 en 461 miljoen ton.

75 dagen
De mondiale graanvoorraad (de zogenaamde "carry-over" voorraad) bedraagt nu 469 miljoen ton, genoeg om het 75 dagen mee uit te houden tot de nieuwste oogsten beginnen. Tot 2001 was er genoeg voor zo'n honderd dagen. In 2006 was de voorraad geslonken tot 62 dagen - een voorbode voor de enorme prijsstijgingen in 2007 en 2008. Dat was vooral dramatisch voor arme families in ontwikkelingslanden, die meer dan de helft van hun inkomen aan voedsel - vaak graan - besteden. Het aantal mensen met honger nam toe tot meer dan een miljard. In 2010 was de oogst opnieuw slecht, onder meer door droogte en hitte in Rusland. De krappe voorraden zijn in 2011 vervolgens niet verder gekrompen, maar ook amper aangevuld.

Het landbouwareaal waar graan wordt geteeld neemt intussen almaar af. Per persoon is dat nog maar een tiende hectare, half zo veel als vijftig jaar geleden. Door verbeterde oogstmethoden is de productie wel sterk toegenomen. Per hectare wordt er drie keer zo veel geoogst als in 1950. Het probleem is echter dat het laaghangende fruit intussen geplukt is. Soorten met veel opbrengst, kunstmest en goede irrigatie zijn intussen overal wel doorgevoerd, behalve in sub-Sahara Afrika. De groei van de opbrengst per hectare vlakt af en slaat in sommige landen zelfs om in krimp.

Meer importen
Steeds meer landen leunen op de import om in hun behoeften te voorzien. Tegenwoordig wordt 12 procent van het graan internationaal verhandeld. De grootste exporteurs zijn de VS, Argentinië, Oekraïne, Australië, Rusland en Canada. De landen die meer dan 10 miljoen ton per jaar importeren zijn Japan, Egypte, Mexico, Zuid-Korea en Saoedi-Arabië. Vooral het Midden-Oosten is erg afhankelijk geworden van importen, maar ook de gestage groei van de Chinese consumptie, waar tegenwoordig ook voor geïmporteerd moet worden, baart analisten zorgen. Met de toenemende tekorten aan water en temperaturen die meer gaan schommelen, neemt het risico op ernstige prijsstijgingen toe.


__________________________________________________________




"Chinese investeringen in Kameroen kunnen desastreus uitpakken"
YAOUNDE, 12 januari 2012 (IPS )

De regering van Kameroen doet steeds meer beroep op China om de ontwikkeling in het land te stimuleren. Critici vrezen dat de gevolgen van de economische relaties tussen China en Kameroen op lange termijn desastreus zullen zijn voor de binnenlandse industrie.

"We nodigen Chinese bedrijven uit om in alle sectoren in Kameroen te investeren, vooral in olie en gas, mijnbouw en hout", zei president Paul Biya in 2007 tijdens het bezoek van de Chinese president Hu Jintao, het eerste bezoek ooit van een Chinese president aan het land.

De Chinese president zei bij de gelegenheid dat de Chinese relaties met Kameroen en Afrika gebouwd zijn op "oprechte vriendschap, gelijkheid, wederzijds belang en win-winsamenwerking."

Goedkoper
De handel tussen beide landen steeg tot meer dan 133 miljoen euro in 2000. In 1999 was dat nog 67 miljoen euro. Volgens de Chinese leider bedroeg de bilaterale handel in 2006 al 267 miljoen euro.

Uit cijfers van het Nationale Instituut voor Statistiek van Kameroen blijkt dat de Kameroense export naar China voor 1999 bijna verwaarloosbaar was. In 2000 steeg die echter naar 97 miljoen euro, 7 procent van de totale export van het land.

De totale import uit China mam sterk toe tussen 1999 en 2005. In 2005 gaf Kameroen 113 miljoen euro uit aan goederen uit China, voornamelijk granen, fabrieksproducten en machines. In 1999 was dat nog 31 miljoen euro.

De regering werkt graag samen met China, omdat het land - anders dan het Westen - weinig voorwaarden stelt. Verder kunnen de Chinezen goedkoop werken, vergeleken met westerse bedrijven. China Road and Bridge Corporation haalde bijvoorbeeld de opdracht binnen om 13 kilometer weg aan te leggen in Douala voor 14 miljoen euro. Concurrenten vroegen voor dezelfde klus zo'n 24 miljoen euro. Het project werd door de Chinezen succesvol afgerond, een maand voor de geplande opleveringsdatum.

Geen technologieoverdracht
Veel Kameroeners zijn blij met de goedkope Chinese producten. "Ik kan nu een paar schoenen kopen voor 2000 franc (ruim 3 euro)", zegt Christian Njah, een beveiligingsmedewerker in Yaoundé. "De Chinezen helpen mensen zoals wij." Njah verdient ongeveer 76 euro per maand. Ongeveer 40 procent van de Kameroeners leeft onder de armoedegrens.

Maar niet iedereen in West-Afrika is blij met de Chinese aanwezigheid. In het noordwesten van het land zijn kleine handelaren ontevreden.

"Wij zijn niet tegen Chinese investeringen in Kameroen, maar wel tegen concurrentie op producten zoals maïs", zegt Elizabeth Neh, die geroosterde maïs verkoopt in Bamenda. Dat ongemakkelijke gevoel leeft bij meer kleine zelfstandigen, die soms al zijn overgestapt op de verkoop van goedkope Chinese producten.

"Door Chinese import kunnen mensen goedkoper diensten en producten krijgen", zegt Fondo Sikod, hoogleraar economie aan de Universiteit van Yaoundé II in Soa. "Dat is goed voor die mensen. Maar op lange termijn is het slecht, want de plaatselijke productie verdwijnt erdoor. Ook is er nauwelijks sprake van technologieoverdracht. De Chinezen nemen meestal hun eigen werknemers mee en Kameroeners werken in de marge als chauffeurs en vegers."

Bij het conferentiecentrum van Yaoundé, dat in 1982 werd gebouwd, wordt het onderhoudswerk nog steeds door Chinezen gedaan, zegt hij.

Ook wijst hij erop dat door de komst van goedkope Chinese producten de Kameroense export van industriële producten in de regio Centraal-Afrika met 42 procent af tussen 2003 en 2005.



__________________________________________________________



Salvadoraanse boeren ziek door bestrijdingsmiddelen
13 januari 2012 door IPS

NUEVA ESPERANZA - Decennialang gebruikten Salvadoraanse boeren giftige pesticiden. Bewoners en media melden nu een alarmerende groei van het aantal mensen dat lijdt aan nierfalen.

In de schaduw onder een boom, op veilige afstand, kijkt Francisco Sosa naar zijn zoon die onkruid aan het besproeien is met onkruidverdelger uit een tank op zijn rug.

De 60-jarige Salvadoraanse boer wil zijn zoon Saúl (25) graag helpen, maar hij kreeg het advies van de dokter om dat niet te doen. Net zoals veel andere boeren op het platteland in het zuidoosten van El Salvador, heeft hij chronische nierproblemen.

"De artsen zeggen dat ik geen gif meer mag sproeien, omdat mijn ziekte daardoor nog erger kan worden", zegt Sosa op zijn boerderij in Nueva Esperanza, een plattelandsgemeenschap van zo'n vijfhonderd mensen die in de jaren negentig werd gesticht in de regio Bajo Lempa in de provincie Usulután.

Al jarenlang melden plaatselijke bewoners en de media een alarmerende groei van het aantal mensen dat lijdt aan nierfalen in Bajo Lempa. De regio was ongeveer een eeuw lang een gebied waar veel katoen werd verbouwd en waar veel pesticiden en herbiciden werden gebruikt.

Hoewel de katoen in de jaren zeventig plaats maakte voor andere gewassen, bleven de boeren de giftige bestrijdingsmiddelen zonder beschermende maatregelen gebruiken bij het verbouwen van maïs, bonen en groenten.

In sommige gemeenschappen in Bajo Lempa, zoals Ciudad Romero, lijdt meer dan 20 procent van de bevolking aan chronische nierziekten. Als het alleen om volwassen mannen gaat, heeft één op de vier nierproblemen.

Vervuiling
Het aantal zieken ligt hoger dan in andere landen, staat in een studie die het ministerie van Gezondheid in 2009 in gang zette. In andere landen in Latijns-Amerika wordt in soortgelijke epidemiologische studies gesproken over nierfalen bij 1,4 tot 6,3 procent van de bevolking.

De uiteindelijke resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in oktober. In het rapport wordt niet direct een verband gelegd tussen het wijdverbreide gebruik van bestrijdingsmiddelen en het hoge aantal mensen met nierfalen. De gegevens versterken echter wel de vermoedens van boeren en milieuactivisten dat er een verband bestaat.

Uit de studie blijkt dat 82,5 procent van de mannen in de regio in contact komt met bestrijdingsmiddelen. "De ziekte hangt samen met alle chemicaliën die het gebied vervuilen, vooral in de landbouwgebieden langs de kust", zegt minister van Gezondheid María Isabel Rodríguez.

"De statistieken tonen dingen die we nergens anders in de wereld aantreffen", zegt ze. "De overeenkomst tussen de mensen met nierfalen is dat het in de meeste gevallen gaat om boeren in de leeftijd van achttien tot zestig jaar."

DDT
"Toen al deze mensen nierproblemen kregen, was het duidelijk dat er een verband bestond tussen de ziekte en het extensieve gebruik van bestrijdingsmiddelen", zegt milieuactivist Mauricio Sermeño van de Unidad Ecológica Salvadoreña (Salvadoraanse Ecologische Unit), een plaatselijke ngo.

Sermeño verwijst naar de blootstelling van het gebied aan pesticiden en herbiciden in de tijd dat de katoenproductie zijn hoogtijdagen beleefde. Chemicaliën zoals DDT, een insecticide dat nu bijna over al verboden is, werden in die tijd veel gebruikt.

Andere schadelijk chemicaliën, zoals gramoxone en hedonal, worden nog steeds gebruikt. De meeste pesticiden in Bajo lempa worden verkocht door bedrijven als het Duitse Bayer. De afdeling van Bayer in El Salvador heeft op verschillende verzoeken om commentaar niet gereageerd.

In de gemeenschappen in de regio Bajo Lempa kent bijna iedereen wel een familielid of vriend die overleden is aan nierfalen, zeggen boeren en activisten. "Daar woonde Chunguito, zoals we hem noemden. En Isidro is er ook dood aan gegaan, net als Lidia Sorto, Toñón en Neftali en Abrahán", zegt Donato Santos, die een paar jaar geleden in het ziekenhuis werd opgenomen voor pesticidenvergiftiging, nadat hij zijn maïsveld besproeid had.

Rosa María Colindres, een zuster in de eerste kliniek voor nierpatiënten die in de regio is geopend, beweert dat in 95 procent van de graven op het kerkhof van Nueva Esperanza mensen liggen die overleden zijn aan nierfalen.



__________________________________________________________




Salvadoraan vindt uiterst zuinig en schoon fornuis uit
12 januari 2012 door IPS , Edgardo Ayala

SAN SALVADOR - Een Salvadoraanse ingenieur heeft een uiterst zuinig en schoon fornuis uitgevonden. Het verbruikt nauwelijks hout en stoot amper CO2 uit. De uitvinder kreeg een schouderklopje van de NASA.

Echt nieuw is het Turbococina (Turofornuis) niet. René Núñez, een voormalig ingenieur en leraar, deed de uitvinding al zestien jaar geleden, maar gaandeweg bleef hij het toestel verbeteren. Hij is er nu in geslaagd 93 procent van de thermische energie te gebruiken en de CO2-uitstoot met 95 procent te verminderen.

NASA
Het fornuis is een soort cilinder van roestvrij staal waarin een interne elektrische ventilator lucht injecteert en een plaat die de in- en uitgaande lucht regelt.
Het fornuis kan hout op zeer lage temperatuur verbranden en heeft daardoor zeer weinig hout nodig. Een volledige maaltijd bereiden kan met nauwelijks vijf stukjes hout van 13 centimeter lang, wat snoeisel volstaat dus.

Bij het koken komt bovendien geen rook vrij. Andere verbeterde houtfornuizen kunnen de CO2-uitstoot slechts met 45 procent verminderen, zegt Núñez.
Het lage houtverbruik is zeer interessant in een land waar veel mensen onder de armoedegrens leven en de ontbossing bovendien hard toeslaat. "Door traditionele fornuizen door turbofornuizen te vervangen, kunnen ze een hele maand voort met het hout dat ze nu op één dag verbranden", zegt Núñez.

Met zijn uitvinding won de Salvadoraan al heel wat prijzen. In november werd hij met negen andere uitvinders geselecteerd voor Launch 2011 Energy Innovators, een Amerikaans initiatief dat innoverende ideeën voor duurzame energie wil stimuleren. Initiatiefnemers van Launch zijn het ontwikkelingsagentschap Usaid, het ministerie van Buitenlandse Zaken, het ruimtevaartagentschap NASA en het sportkledingmerk Nike. "Dat NASA zegt dat dit het beste fornuis ter wereld is, betekent zeer veel voor mij", zegt Núñez.

Helft kookt op hout
Volgens officiële cijfers kookt ongeveer een kwart van de Salvadoranen op hout, op het platteland kookt zelfs de helft met hout. De 10 procent armste gezinnen geven meer uit aan hout (3 procent van hun budget) dan aan elektriciteit, blijkt uit VN-cijfers.
Bovendien leidt de rookontwikkeling bij traditionele fornuizen tot ademhalingsziekten. Jaarlijks sterven daardoor tweeduizend mensen, zegt Núñez, die zich baseert op cijfers van het ministerie van Volksgezondheid.

Een nadeel van Núñez' fornuis is dat het elektriciteit nodig heeft en voor een derde van de plattelandsbewoners is die niet voorhanden, zegt Ricardo Navarro van het Salvadoraans Centrum voor Geschikte Technologie. De regering zou daarom niet alleen de Turbococina moeten stimuleren maar ook alternatieve methodes zoals fornuizen op zonne-energie.

Niet te koop
De Turbococina is nog nergens te koop. Núñez heeft zelf niet de ambitie zijn uitvinding te commercialiseren. Hij is op zoek naar mechanismen om honderdduizend toestellen gratis te verspreiden onder de armste inwoners van El Salvador.
Het ministerie van Onderwijs kocht al duizend toestellen voor scholen die er maaltijden mee kunnen bereiden. Maar verder reikt de interesse van de overheid voorlopig niet, zegt Mauricio Sermeño, coördinator van milieuorganisatie Unidad Ecológica Salvadoreña. "De regering geeft niet de indruk dat ze alternatieve energiemethodes wil stimuleren."


__________________________________________________________



"Vee is beter antwoord op verwoestijning dan bomen"
11 januari 2012 door IPS , Busani Bafana

VICTORIA FALLS - Verwoestijning kan beter tegengegaan worden door goed uitgekiende begrazing dan door bomen te planten. Dat zegt een Amerikaanse bioloog die in Zimbabwe spectaculaire resultaten boekt.

In de buurt van de bekende Victoriawatervallen in Zimbabwe helpt gecontroleerde begrazing een groot gebied te herstellen waar de bodem jarenlang zwaar achteruitgegaan was door onoordeelkundige veeteelt. De ecoloog Allan Savory van het Amerikaanse Savory Institute noemt het de bruine revolutie.

Grote kuddes van weleer
Het Savory Institute en het door Savory gestichte Afrikaans Centrum voor Holistisch Beheer (ACHM) beheren een stuk natuur van 2900 hectare in de streek Dimbangombe, op 36 kilometer van het stadje Victoria Falls. Voor de komst van het Savory Institute was het uitgestrekte gebied veranderd in een woestenij door de steeds grotere aantallen koeien en schapen die er graasden. Maar nu is de begroeiing weer weelderig en zijn er ook wilde diersoorten teruggekeerd, zonder dat de massale veeteelt moest worden opgegeven. De bodem is vruchtbaarder geworden en er is ook veel meer water beschikbaar.

"Door het vee de functie te laten vervullen van de grote kuddes die vroeger op onze planeet rondstruinden, voor de mens en het vuur hun rol overnamen, kunnen we de bodems weer gezond maken zodat ze opnieuw enorme hoeveelheden water en koolstof kunnen opslaan", zegt Savory. "Daardoor verminderen droogteperiodes en overstromingen."

Verwoestijning is volgens Savory geen gevolg van te grote aantallen runderen, schapen en geiten, maar wel van de manier waarop die dieren worden gehouden. Volgens de holistische aanpak kan vee maximaal drie dagen op een bepaalde plaats grazen; daarna wordt dat gebied minstens negen maanden met rust gelaten. Tijdens het grazen breken de dieren de verharde grond met hun hoeven en verspreiden ze mest en plantenresten. Daardoor wordt de regen later beter opgenomen in de bodem. Dieren trappen ook zaden in de aarde, waardoor die beter ontkiemen.

Meer water, grotere oogsten
De theorie klopt in elk geval in Dimbangombe. "Op plaatsen waar jaren geleden alleen naakte grond te zien was, groeit het gras nu tot op borsthoogte", zegt Savory. "En we hebben de rivier weer tot leven gewekt. Het hele jaar door hebben we hogere waterstanden. De waterlelies en vissen zijn teruggekeerd."

Ook de plaatselijke landbouw vaart wel bij de aanpak. Volgens de Zimbabwaanse onderzoeker Ntombizakhe Mpofu halen dorpelingen tot vijf keer grotere opbrengsten binnen door vee in te zetten om akkers plantklaar te maken en te bemesten.

"Vee is een van de beste instrumenten die we hebben om verwoestijning grootschalig aan te pakken", zegt Savory. "En als je de verwoestijning niet tegengaat, kun je de
klimaatverandering niet aanpakken."
Gecontroleerde begrazing maakt onder meer ook het afbranden van vergeelde stukken grasland overbodig om de groei van nieuw gras te bevorderen. In sommige Afrikaanse landen draagt het afbranden van graslanden meer bij tot het broeikaseffect dan het gebruik van fossiele brandstoffen.

Gras beter dan bomen
De uitgestrekte graslanden in Afrika krijgen te weinig aandacht, vindt Savory. In de strijd tegen de verwoestijning en de klimaatverandering in Afrika zijn vooral boomplantacties populair. Maar bomen zijn niet in staat de extra uitstoot aan koolstof te absorberen die het gevolg is van het uitlogen van bodems, branden en het gebruik van fossiele brandstoffen. De immense graslanden kunnen dat volgens Savory wel, als ze goed beheerd worden. Gras brengt via afstervende wortels immers veel meer organisch materiaal in de bodem dan bomen.

De technieken van Savory en het ACHM worden nu ook in Namibië, Botswana en Kenia toegepast; volgens Savory wordt er in al die landen samen al 12 miljoen hectare grond volgens de holistische aanpak beheerd. Het Savory Institute werkt ook samen met Kenia aan een proefsite die andere landen in de Hoorn van Afrika kan inspireren. Voor het werk in Zuidelijk Afrika hebben het ACHM en het Savory Insitute 4,8 miljoen dollar (3,8 miljoen euro) gekregen van het Amerikaanse ontwikkelingsagentschap USAID.


__________________________________________________________




Vertragen voor een overvloedig leven
DeWereldMorgen.be woensdag 11 januari 2012
Opiniedoor Dirk Holemans,Oikos

We kunnen er niet naast kijken: we moeten met zijn allen langer en harder werken en de economische groei weer aanzwengelen. Anders kunnen we de pensioenen niet betalen, de staatsschuld niet afbetalen en verdampt de welvaartsstaat. Zo luidt toch het dominante discours. Het lijkt wel of er geen andere weg uit de huidige crisis is: iedereen harder werken, de economische motor sneller doen draaien.

Nochtans geven nu ook mainsteam economen als Geert Noels toe dat het voortzetten van het huidige economisch model onhoudbaar is. Zo luidde de titel van zijn eindejaarsstuk voor De Standaard: 'Mag het wat trager, alstublieft?'.

En verrassend genoeg krijgt de analyse die vooral ecologische denktanks maken, nu gehoor bij deze vermogensbeheerder: "de huidige vorm van groei is niet duurzaam, want gestoeld op schulden die het gevolg zijn van overconsumptie en niet van productieve investeringen".

Laat dit bijvoorbeeld net de analyse zijn die Tim Jackson uiteenzet in zijn door Oikos vertaalde boek Welvaart zonder Groei. Noels pleit net als Jackson voor een ander economisch model, maar houdt afstand van een pleidooi voor een 'wereld zonder groei'. Want dat zou betekenen dat er geen menselijke vooruitgang meer mogelijk zou zijn.

Dit lijkt onjuist en vergt een debat over hoe we groei meten. Toch snijdt Noels' analyse hout. Hij pleit voor een economie op mensenmaat en ziet een mogelijkheid tot groei als meer mensen meedoen aan het economisch proces. Dit wordt mogelijk als de samenleving en de productie vertragen.

Noels pleit voor duurzame groei die er een is "op mensenmaat en op een ritme dat onze planeet aankan. Het is mogelijk te leven met minder volume en toch meer kwaliteit". Voor de econoom is dit een optimistisch verhaal van meer levenskwaliteit en arbeidsparticipatie.

Hetzelfde hoopvolle verhaal vinden we terug bij Jackson, die echter ingaat op de ecologische grenzen die onze planeet stelt aan de economie. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de wereldeconomie vijf maal zo groot geworden. En een jaarlijkse groei van amper 1 procent betekent dat de wereldeconomie nog met de helft zal toenemen tegen 2050, wat niet te verzoenen valt met de doelstelling dat we tegen dan het gebruik van fossiele bronnen met 90 procent hebben afgebouwd!

Een realiteit die zowat alle mainstream economen blindweg naast zich neer leggen. Jacksons model geeft ook een antwoord op het probleem van overconsumptie en een tekort aan productieve investeringen. De toekomst ligt in minder consumptie en meer sparen, spaargeld dat we dan kunnen investeren in toekomstgerichte infrastructuur en diensten. Iets wat mensen al doen als ze bijvoorbeeld aandelen kopen van een coöperatie actief in hernieuwbare energie.

Een zelfde toekomstgericht verhaal vinden we aan de andere kant van de oceaan bij Juliet Schor. Zij is de auteur van onder meer de bestseller The Overworked American (1991), waarin ze wijst op het gegeven dat Amerikanen steeds harder werken en steeds meer consumeren waardoor ze vast geraken in een 'work-spend'-cirkel.

Niet toevallig publiceert ze enkele jaren later The Overspent American (1998) waarin ze beschrijft hoe Amerikanen bezwijken onder de spullen omdat ze steeds maar 'zien-willen-lenen-kopen'. Een van de aanbevelingen die Schor doet om uit dit consumptiemodel te geraken, is dat we meer moeten kiezen voor tijd voor onszelf los van de markt, in plaats van al onze tijd te besteden aan werken (koopkracht verdienen) en uitgeven. Het belang van tijd - een rode draad door haar werk - vinden we ook terug in haar laatste boek.

Hierin ontwikkelt ze een nieuw economisch model en nieuwe levenswijze onder de titel Plenitude, wat we kunnen vertalen als 'een complete economie en een rijkelijk gevuld leven'. Haar analyse is herkenbaar: het economische beheerst steeds meer ons leven, of het nu werken of consumeren is.

En zo is er steeds minder tijd voor zogenaamde niet-economische activiteiten als zorgen voor elkaar, zelf dingen maken of nietsdoen, allemaal zaken verbonden met ons geluksgevoel. Het terug in handen krijgen van onze tijd is voor haar dé sleutel is om milieu-impact te verminderen, jobs te creëren en iedereen een beter leven te bezorgen.

Als we minder werken, kunnen we het werk eerlijker verdelen wat ook leidt tot een meer rechtvaardige inkomensverdeling. Minder werken geeft ruimte om via informele circuits het leven terug meer in handen te nemen, wat de zelfredzaamheid en levensvreugde vergroot.

Schor baseert haar verhaal op de ecologische tijdspioniers die overal opduiken: mensen beginnen samen een groentetuin, bouwen energievriendelijke woningen, produceren lokale energie en starten kleinschalige productiebedrijfjes op. Dit is voor Schor de koolstofarme toekomst, want de huidige high tech laat toe de productiviteit te verhogen van kleinschalige productie.

Er is een golf bezig van sociale innovatie: spullen delen, hergebruik, zelf kleren maken. Deze is opgestart vanuit de ecologische beweging en krijgt nu momentum omdat door de economische terugval cash schaarser wordt en mensen tijd bewuster inzetten. Mensen hebben plezier en sparen geld met de groeiende deeleconomie van klerenruil, autodelen, huizenruil en gereedschapsbibliotheken. Ze bouwen nieuw sociaal kapitaal op als alternatief voor de consumptiecultuur van lenen en spenderen.

De Plenitude-economie geeft mensen meer tijd los van het werk, zorgt voor toenemende mogelijkheden voor milieuvriendelijke economische activiteiten en voor een engagement voor sociale verbondenheid. Het is voor Schor een wijze om opnieuw een menselijke schaal te eisen voor onze economie, verantwoordelijkheid op te nemen voor onze levensstijlen, en elkaar en de planeet te behandelen met het respect dat we allemaal verdienen.

De Amerikaanse auteur benadrukt de kracht van informele structuren die van onderuit ontstaan en de veerkracht van burgers in tijden van crisis verhogen. Dit ontslaat de overheid echter niet om een sterk beleid te voeren dat grondstofarme levensstijlen ondersteunt.

De kracht van Schor is dat ze laat zien dat onze welvaart niet alleen gebaseerd is op de geldeconomie, maar ook op de economie van de natuur en de economie van de leefwereld. Het komt er nu op aan de geldeconomie sociaal en ecologisch radicaal te herijken zodat we weer uitzicht krijgen op het goed functioneren van de gehele economie.

Dirk Holemans

Dirk Holemans schrijft bijdragen als hoofdredacteur van het tijdschrift Oikos en is coördinator van de gelijknamige denktank.


__________________________________________________________




Occupy Nigeria: een blik op de protesten
DeWereldMorgen.be woensdag 11 januari 2012
door david van peteghem

Sinds 2 januari gaan de protesten tegen de afschaffing van de brandstofsubsidie in Nigeria onverminderd door. De protesten gaan ook gepaard met etnisch en religieus geïnspireerde terreur. Er heerst een gemengde sfeer van angst, onzekerheden en hoop. Maar de Nigerianen nemen wel het voortouw in een nieuwe ronde van het wereldwijde verzet tegen de crisis van het kapitalisme.

Herbert Marcuse stelde ooit eens dat de ontwikkeling van een radicaal politiek bewustzijn onder de massa's enkel mogelijk is wanneer de economische stabiliteit en de sociale cohesie van het systeem begint te verzwakken. Het is een understatement dat Nigeria zich al een lange tijd in dergelijke sociale situatie bevindt.

De afschaffing van de brandstofsubsidie zorgt nu ook voor een zekere mate van radicalisering. Maar de protesten worden tegelijkertijd onder zware druk gezet door aanhoudend etnisch en religieus geweld. Op verschillende plaatsen worden de protesten ook hardhandig onderdrukt door de ordediensten.

Dat leidde ondertussen al tot tientallen doden. De Nigeriaanse president Goodluck Jonathan zet eveneens het leger in tegen de demonstranten zoals in Abeokuta, in het zuidwesten van Nigeria.

Ongeziene weerklank voor de protesten
De protesten kwamen op 2 januari op gang en gaan sindsdien onverminderd door. Het is bewonderenswaardig dat de Nigerianen volharden in hun protest. Natuurlijk kunnen ze her en der rekenen op giftige kritiek. Nochtans krijgen de protesten een ongezien grote weerklank.

Bijna alle Nigeriaanse kranten - en dat zijn er heel veel - ondersteunen het protest. Het lijkt ook duidelijk dat Nigeriaanse journalisten worden gedwarsboomd in hun werk omdat de berichtgeving over nieuwe protesten mondjesmaat binnenstroomt. Het loopt natuurlijk ook allemaal zo snel dat de verslaggeving erover amper valt bij te houden.

Verschillende kranten roepen via Facebook op om foto's van de protesten en verslagen van ooggetuigen door te sturen. Ook de Nigeriaanse blogs draaien op volle toeren in het analyseren van de protesten, de afschaffing van de brandstofsubsidie en toekomst van Nigeria - dat heet volksopvoeding.

De jongste zoon van Afrobeat-legende Fela Kuti, Seun Kuti, is ook van de partij. Hij beschouwt de afschaffing van de brandstofsubsidie als 'verraad' aan de Nigerianen. De literaire coryfeeën van Chinua Achebe, Wole Soyinka tot sterke literaire nieuwkomers zoals de in België wonende schrijfster Chika Unigwe ondersteunen ook het protest. Soyinka vreest echter dat er een nieuwe burgeroorlog in aantocht is.

Dat komt omdat het religieuze en etnische geïnspireerde geweld onverminderd doorgaat. In Kaduna durft bijna niemand meer nog buiten te komen om te gaan protesteren. Er is ook een nachtklok ingesteld. In Jos is een verbod van kracht om deel te nemen aan de protesten. In de zuidelijke deelstaat Benin zijn na nieuwe schermutselingen meer dan 10.000 mensen op de vlucht geslagen.

President Goodluck Jonathan gooit bovendien nog eens olie op het vuur door nu pas te beweren wat hij al lang weet, namelijk dat Boko Haram een product is van politici die het land willen destabiliseren. De Nigeriaanse blogger Farooq A. Kperogi omschreef Boko Haram overigens nog trefzeker als een 'lege betekenaar'.

Iedereen heeft afhankelijk van onderliggende belangen of angsten tegenwoordig een eigen visie op Boko Haram! Sommige demonstranten lopen zelfs rond met de ludieke slogan dat de afschaffing van de brandstofsubsidie de echte Boko Haram is. Het enige feit is wel dat de terreur is uitgegroeid tot een ongrijpbaar fenomeen. De terreur komt vanuit alle hoeken. In bijna elke deelstaat gaan vele mensen gebukt onder de angst voor nieuwe terreuracties.

Bekende mensenrechtenactivisten zoals Shehu Sani en Femi Falana protesteren ook actief mee. Alle vakbonden steunen ten slotte ook de protesten en ze hebben afgelopen maandag in verschillende steden grote stakingen georganiseerd. Alleen al in hoofdstad Abuja moeten er op die dag tienduizenden mensen op straat zijn gekomen.

Sommige kranten berichten dat de protesten de daaropvolgende dag enkel maar groter zijn geworden. In Londen, Washington en New York vonden ook al Nigeriaanse protesten plaats. In die protesten wordt vooral de niet zo onschuldige rol van de Wereldbank, IMF en de westerse oliemultinationals op de korrel genomen.

De dynamiek van de Occupy-beweging leeft heel sterk onder de Nigerianen in de diaspora. Er wordt ook nog een actie gepland op woensdag in Atlanta. Op donderdag zal er ook aan de Nigeriaanse ambassade in Brussel een protestactie plaatsvinden. Op vrijdag staat er een protestactie op het programma in Pretoria, in Zuid-Afrika.

De ontwaking van de onderklasse
De protesten worden ongetwijfeld voor een stuk gedragen door de Nigeriaanse middenklasse. Minister van Financiën Ngozi Okonjo-Iweala beweerde nog dat enkel maar de Nigerianen met een auto de afschaffing van de brandstofsubsidie het hardste zouden voelen. Maar zoals we hier ook kunnen ondervinden, zijn neoliberale technocraten wereldvreemde figuren. Ze hebben totaal geen begrip van de sociale realiteit van armoede, ongelijkheid en uitsluiting.

In Nigeria vergeten ze vooral dat de onderklasse ook nood heeft aan olie en diverse olieproducten. Het zijn zij die het zwaarste lijden onder de afschaffing van de brandstofsubsidie en de algemene verhoging van de prijzen van producten. De immense omvang van de protesten kan dan ook enkel verklaard worden doordat ze massaal wordt gedragen door de onderklasse waarin de grote meerderheid van de Nigeriaanse bevolking gevangen zit. Het zijn de verworpenen van Nigeria die overal in opstand komen.

Versteviging van de democratische strijd
De Nigerianen protesteren niet meer alleen tegen de afschaffing van de brandstofsubsidie. De slagzinnen die de Nigerianen in hun protesten meedragen - meestal geschreven op een groot stuk karton - tonen aan dat de sociale onvrede heel diep zit. Eén van de meest krachtige slogans luidt dat de armen weldra niets anders dan de rijken kunnen opeten.

Een andere beklijvende slagzin die ook al opdook in vorige protesten in Nigeria luidt onvertaald 'hardship is to much'. Vele demonstranten roepen ook op dat ze hun stem opnieuw willen laten tellen. De roep om echte democratie luidt krachtiger dan ooit.

Ze zijn de leugens en de politieke corruptie van de regering en de beleidsmensen in de Nigeriaanse staatsoliemaatschappij hartsgrondig beu. Andere slogans maken duidelijk dat Goodluck Jonathan moet aftreden of dat er slechts een keuze is tussen het verlagen van de olieprijzen of revolutie. Hier en daar zie je mensen met een Occupy Nigeria-T-shirt.

In het hoge noorden van Nigeria, in de deelstaat Kano, hebben de demonstranten ook al de stijl van protest van het Tahrirplein overgenomen. Biddende moslims werden beschermd door christenen en zij werden tijdens hun gebeden in kerken op hun beurt beschermd door moslims. De grootste protesten vinden overigens plaats in het noorden van Nigeria, in de Middle Belt-zone en ook in de zuidoostelijke regio, in het epicentrum van het oliekapitalisme.

De hoop op verandering wordt natuurlijk enigszins vertroebeld door de terreur. Maar het heeft geen zin om te speculeren over verdere evoluties van de protesten in de context van de terreur. In de protesten worden hoe dan ook de religieuze en etnische achtergronden van de demonstranten overstegen.

Het is duidelijk dat onder de Nigerianen het bewustzijn van het belang van democratische strijd stevig verankerd zit. Het minste wat je kan zeggen, is dat de protesten in Nigeria indrukwekkende vormen aannemen en dat de bevolking volhardt in de strijd.

Een gezonde dosis kantiaans enthousiasme vanuit het Westen is hier toch wel gepast. De democratische strijd van de Nigerianen verdient vooral ondersteund te worden met wereldwijde solidariteit. Het is dan ook gepast om af te sluiten met een raadgeving van Bob Jessop: "We moeten niet alleen op een globale wijze denken en op een lokale wijze handelen. We moeten ook op een glaciale wijze denken en elke dag handelen".

De Nigerianen nemen in Nigeria, Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Verenigd Koninkrijk en in België het voortouw in een nieuw jaar van strijd tegen de crisis van het wereldkapitalisme - in de naam van een sociale rechtvaardige wereld.
(wordt vervolgd)

Bronnen:
Herbert Marcuse, An essay on liberation, pelican books, 1973, p 59.
Farooq A. Kperogi, Boko Haram as empty signifier, http://www.farooqkperogi.com/2012/01/boko-haram-as-empty-signifier.html
Gistexpress, Seun Kuti, Femi Falana and other activist lead protest against oilsubsidy removal, (3 januari 2012), http://www.gistexpress.com/2012/01/03/seun-kuti-femi-falana-other-activi...
Vanguard, Nigeria heading for civil war - Soyinka, (10 januari 2012) http://www.vanguardngr.com/2012/01/nigeria-heading-for-civil-war-soyinka/
Sahara reporters, Protests dusk dawn curfew imposed in Kaduna State (10 januari 2011), http://saharareporters.com/news-page/protests-dusk-dawn-curfew-imposed-k...
Vanguard..5 dead, 10,000 displaced after clashes in Benin (10 januari 2012), Nations Cup: Burkinabe cleared to play Subsidy protest: 2 feared dead in Lagos
Ogala, Kano finds religious unity in subsidy protest (4 januari 2012), http://ogala.wordpress.com/2012/01/04/kano-finds-religious-unity-in-subs...
Sahara reporters, Occupy Nigeria: in Atlanta to Occupy Consulate In Atlanta (10 januari 2012), http://saharareporters.com/news-page/occupy-nigeria-nigerians-atlanta-oc...
Sahara reporters, Occupy Nigeria: solidarity protest hit Worldbank headquarters Washington DC (10 januari 2012) http://saharareporters.com/gallery/photonews-occupy-nigeria-solidarity-p...
The Guardian, Chinua Achebe leads Nigerian authors' fuel subsidy protest (9 januari 2012) http://www.guardian.co.uk/books/2012/jan/09/chinua-achebe-nigeria-fuel-s...
Bob Jessop, Globalization: It's about time too! (juni 2003), http://www.ihs.ac.at/publications/pol/pw_85.pdf


__________________________________________________________



Haïti 2 jaar na de aardbeving: waar het geld naar toe is
DeWereldMorgen.be woensdag 11 januari 2012
door DeWereldMorgen Vertaaldesk, Lode Vanoost, Bill Quigley, Amber Ramanauskas

Op 12 januari 2010 werd Haïti door een aardbeving verwoest. Een enorme internationale steunactie kwam op gang. Enorme bedragen werden op tafel gelegd. Althans, zo leek het toch. Vandaag ziet Haïti er uit alsof de ramp amper twee maand geleden gebeurde. Waar is al dat geld naar toe gegaan? Een ontnuchterende analyse van de Amerikaanse bijdrage die ook heel wat over de Europese 'hulp' zegt.

(Noot van de vertaler: voor een goed begrip werden alle bedragen in dit artikel van dollar naar euro omgerekend)

Nauwelijks iets veranderd twee jaar na de ramp
Haïti, een dichte buur van de VS, met negen miljoen inwoners, werd verwoest door een aardbeving op 12 januari 2010. Honderdduizenden werden gewond of kwamen om.

De VN schatte het bedrag dat internationale donoren over de laatste twee jaar aan Haïti gaven voor noodhulp op 1,25 miljard euro (121,27 euro per Haïtiaan) en op 1,56 miljard euro (135,36 euro per Haïtiaan) voor hulp aan de wederopbouw.

Toch ziet Haïti er uit alsof de aardbeving amper twee maand geleden is gebeurd, niet twee jaar. Ongeveer een half miljoen mensen blijven dakloos in honderden informele kampen, de meeste afval van de vernielde gebouwen ligt nog gewoon waar het gevallen is en cholera, een te voorkomen ziekte, brak uit in het land en is nu een epidemie die duizenden doodt en honderdduizenden anderen ziek maakt.

Het slachtoffer is de schuldige
Het komt er op neer dat haast niets van het geld waarvan de publieke opinie dacht dat het naar Haïti ging effectief naar Haïti is gegaan. De internationale gemeenschap gaf er de voorkeur aan de Haïtiaanse bevolking, Haïtiaanse NGO's en de Haïtiaanse regering te 'omzeilen'. Fondsen werden afgeleid naar andere regeringen, naar internationale NGO's en naar privébedrijven.

Hoewel de Haïtianen geen enkele controle hebben over het geld, is het meer dan waarschijnlijk - toch als de geschiedenis een aanwijzing kan geven - dat deze mislukking aan de Haïtianen zal worden verweten in een typische 'verwijt het aan het slachtoffer'-reactie.
Haïtianen stellen zich dezelfde vraag als de rest van de wereld: "Waar is het geld naartoe?"

Hier zijn zeven plaatsen waar het aardbevingsgeld wel en niet naartoe ging.

Eén. De grootste ontvanger van het Amerikaanse geld voor de aardbeving was de Amerikaanse regering. Hetzelfde geldt voor de schenkingen van andere landen
Onmiddellijk na de aardbeving kende de VS 296,67 miljoen euro noodhulp toe en werden 5.000 troepen gestuurd. Associated Press (Amerikaans persagentschap) stelde vast dat het grootste deel van het geld dat beloofd was aan Haïti niet rechtstreeks of onrechtsreeks naar Haïti ging. Reeds in januari 2010 ontdekte het dat 33 procent van dat geld door de VS gewoon werd teruggestort om zichzelf te betalen voor het zenden van die troepen.

42 procent ging naar privé NGO's en openbare instellingen zoals Save the Children, het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de VN en de Pan American Health Organization. Er ging dus nauwelijks geld naar de Haïtianen of hun regering.

Het totale bedrag van 1,25 miljard euro hulp werd op gelijkaardige manier gespendeerd, volgens het rapport van augustus 2010 van het Congressional Research Office:
- 512,30 miljoen euro werd teruggestort aan het ministerie van Defensie;
- 172,11 miljoen euro ging naar het ministerie van Volksgezondheid voor het subsidiëren van de deelstaten om diensten te verlenen aan Haïtiaanse vluchtelingen;
- 273,75 miljoen euro werd toegewezen aan het US Agency for International Development (USAID) voor noodhulp;
- 117,32 miljoen euro diende voor noodvoedselhulp door het ministerie van Landbouw;
- 11,73 miljoen euro werd besteed aan immigratiekosten voor het Department of Homeland Security (ministerie van Binnenlandse Zaken) enzovoort, enzovoort.

De internationale hulp volgde hetzelfde patroon. De Speciale Gezant van de VN voor Haïti rapporteerde dit over de 1,88 miljard euro internationale humanitaire hulp:
- 34 procent vloeide terug naar de eigen burgerlijke en militaire entiteiten voor rampenhulp;
- 28 procent werd aan agentschappen van de VN en NGO's gegeven voor specifieke VN-projecten;
- 26 procent ging naar privébedrijven en andere NGO's;
- 6 procent werd gebruikt voor het verlenen van diensten aan al de voorgaande organen;
- 5 procent naar het Internationale Rode Kruis en naar nationale afdelingen van het Rode Kruis;
- 1 procent werd overgemaakt aan de regering van Haïti;
- 0,4 % van alle fondsen kwam bij Haïtiaanse NGO's terecht.

Twee. Slechts één procent van het geld ging naar de Haïtiaanse regering
Minder dan 1 eurocent per euro van de Amerikaanse hulp ging naar de regering van Haïti, volgens Associated Press. Hetzelfde geldt voor de internationale donoren. De Haïtiaanse regering werd volledig gepasseerd door de VS en de internationale gemeenschap.

Drie. Zeer weinig geld ging naar Haïtiaanse bedrijven of Haïtiaanse NGO's
Het Center for Economic and Policy Research (CEPR - Amerikaanse progressieve denktank http://www.cepr.net/) is hier zonder twijfel de beste bron voor accurate informatie over. Het CEPR analyseerde alle 1.490 contracten die door de Amerikaanse regering na de aardbeving van januari 2010 tot april 2011 werden toegekend en stelde vast dat daarvan slechts 23 naar Haïtiaanse bedrijven gingen.

Globaal kende de VS 151,77 miljoen euro toe aan onderaannemers en 3,76 miljoen euro aan Haïtiaanse ondernemingen, ongeveer 2,5 procent van het totaalbedrag. Bedrijven uit de omgeving van (de hoofdstad) Washington DC kregen daar 59,49 miljoen euro van of 39,4 procent van het totaal. Zoals hierboven al vermeld, berekende de VN dat slechts 0,4 procent (vier tiende van één procent!) naar Haïtiaanse NGO's ging.

Haïtianen hadden zelfs moeite om toegang te krijgen tot vergaderingen over de internationale hulp. De organisatie Refugees International meldt dat lokale vertegenwoordigers het zeer moeilijk hadden om zelfs maar toegang te krijgen tot de VN-compound voor de operationele vergaderingen over de internationale hulp.

"Haïtiaanse groeperingen zijn meestal niet op de hoogte van deze vergaderingen, hebben geen geldige identiteitsbadges voor toegang of hebben het personeel of de capaciteit niet om lange uren in de compound te spenderen." Nog anderen rapporteerden dat de meeste van die internationale coördinatievergaderingen niet worden vertaald in het Creools, de taal van de meerderheid van de Haïtiaanse bevolking.

Vier. Een groot deel van het geld ging naar internationale hulporganisaties en naar NGO's met 'goede connecties'
Het Amerikaanse Rode Kruis ontving 380,35 miljoen euro schenkingen voor Haïti. Volgens de organisatie werd twee derde van dat geld voor hulp en wederopbouw gebruikt, hoewel specifieke details moeilijk te verkrijgen zijn. De CEO van het Amerikaanse Rode Kruis verdient 391.310 euro per jaar.

Kijk ook eens naar het gemeenschappelijk contract ter waarde van 6,73 miljoen euro tussen USAID en het privébedrijf CHF voor het verwijderen van het bouwafval in (de Haïtiaanse hoofdstad) Port-au-Prince. CHF is een internationaal ontwikkelingsbedrijf met uitstekende politieke connecties en een jaarbudget van meer dan 156,51 miljoen euro. Zijn CEO verdiende in 2009 353.575 euro.

De goede connecties van CHF met Democraten en Republikeinen worden het best geïllustreerd door de secretaris van de raad van bestuur, Lauri Fitz-Pegado, een partner van de holding Livingston Group LLC. Deze holding wordt geleid door Bob Livingston, een gewezen voorzitter van het Congres en houdt zich bezig met lobbying en betrekkingen met de overheid.

Mevrouw Fitz-Pegado werkt blijkbaar ook voor de andere kant van de 'lobby', want ze werd door toenmalig president Clinton nog benoemd bij het ministerie van Handel en was tevens lid van het team dat de campagne van Obama voor het presidentschap ondersteunde op gebied van buitenlands beleid.

CHF "werkt in Haïti vanuit twee ruime villa's in Port-au-Prince en houdt er een vloot van gloednieuwe wagens op na", volgens (het Amerikaanse weekblad) Rolling Stone. In een uitstekend artikel in Rolling Stone doet Janet Reitman verslag van nog een ander aardbevingscontract dat voor 1,17 miljoen euro is toegewezen aan het in New York gevestigde consultancybedrijf Dalberg Global Development Advisors.

Het artikel stelt vast dat het team van Dalberg "nooit in het buitenland was geweest, geen enkele ervaring met natuurrampen had … nooit een programma met activiteiten op het terrein uitgevoerd had" en slechts één lid van het team sprak Frans. USAID deed een evaluatie van hun werk waaruit dit bleek: "Het werd duidelijk dat deze mensen waarschijnlijk nooit uit hun 4x4 waren gestapt".

De voormalige presidenten George W. Bush en Bill Clinton kondigen een evenement aan om fondsen te werven voor Haïti op 16 januari 2010. In oktober 2011 had dit 42 miljoen euro schenkingen opgebracht. Dit fonds heeft partnerschappen met verschillende Haïtiaanse en internationale organisaties. Hoewel het merendeel van het werk bewonderenswaardig is, heeft dit fonds toch ook 1,57 miljoen euro geschonken voor de bouw van een Haïtiaans luxehotel dat in totaal 22,71 miljoen euro gaat kosten.

"De NGO's hebben nog heel wat te beantwoorden voor hun aansprakelijkheid, want er ligt hier een hoop cash", volgens Nigel Fisher, het hoofd van de humanitaire hulp van de VN in Haïti. "Wat met de 1,17 tot 1,57 miljard euro die het Rode Kruis en de NGO's hebben gekregen van gewone mensen en waar de regeringen hetzelfde bedrag zouden bijleggen? Wat is daar mee gebeurd? Het is zeer moeilijk om die fondsen te achterhalen."

Vijf. Er ging ook geld naar 'winstbedrijven' wier 'business' rampen is
Nauwelijks één maand na de aardbeving zond de Amerikaanse ambassadeur in Haïti een telex getiteld 'The Gold Rush is On' (de goudrush is begonnen) als onderdeel van zijn situatierapport naar Washington. Dit document werd op 1 februari 2010 openbaar gemaakt door WikiLeaks via (het Amerikaans tijdschrift) The Nation en (de Haïtiaanse NGO) Haïti Liberté. Ambassadeur Merten meldt daarin dat de president van Haïti voormalig generaal Wesley Clark ontmoette voor een verkooppresentatie van een bedrijf uit Miami dat piepschuimen huizen bouwt.

Om de ramp goed uit te buiten ging Lewis Lucke, een hooggeplaatste noodhulpcoördinator van USAID tweemaal in zijn capaciteit van USAID op bezoek bij de eerste minister van Haïti onmiddellijk na de aardbeving.

Hij nam daarop ontslag en werd aangeworven voor 23.502 euro per maand door Ashbritt, een bedrijf uit Florida dat ook al heel wat contracten had verkregen zonder openbare aanbesteding na Katrina (de overstromingsramp in New Orleans van augustus 2005) en een welvarende Haïtiaanse partner om voor contracten te lobbyen.

Lucke zei: "Het werd duidelijk voor ons dat als ze correct werd behandeld de aardbeving evengoed een opportuniteit als een calamiteit kon zijn ...". Ashbritt en zijn Haïtiaanse partner kregen snel een contract van 7,84 miljoen euro, zonder openbare aanbesteding. Lucke meldde ook dat hij geholpen had bij het verzekeren van een ander contract voor 7,84 miljoen euro bij de Wereldbank en nog een kleiner contract met CHF International voor hun samenwerking werd stopgezet.

Zes. Een deel van het beloofde geld werd nooit toegekend
De internationale gemeenschap besliste dat het de Haïtiaanse regering niet zou toestaan om zelf de noodhulp en de wederopbouw te leiden en drong aan op het installeren van twee instellingen die alle plannen zouden goedkeuren voor de wederopbouw van Haïti. De eerste was de Interim Haiti Recovery Commission (IHRC), de tweede het Haiti Reconstruction Fund (HRF).

In maart 2010 kenden de VN-lidstaten op een conferentie 4,15 miljard euro toe over twee jaar (voor een totaal van 7,76 miljoen euro over drie jaar). Dat geld zou worden beheerd door de Wereldbank en verdeeld worden door de IHRC. De IHRC wordt voorgezeten door gewezen president Bill Clinton en de Haïtiaanse eerste minister. In juli 2010 was volgens Bill Clinton amper 10 procent van dat geld door IHRC toegewezen.

Zeven. Heel wat geld werd wel gestort, maar nooit uitgegeven
Twee jaar na de aardbeving werd minder dan 1 procent van de 323 miljoen euro Amerikaanse fondsen voor de wederopbouw van de infrastructuur in Haïti gespendeerd door USAID en het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en slechts 12 procent werd voor dat doeleinde al vastgelegd in de begroting, volgens een rapport van november 2011 door het Amerikaanse Government Accountability Office (een parlementair controleorgaan zoals het Belgische Rekenhof).

De prestaties van zowel de IHRC en de HRF waren zeer pover. De (Amerikaanse krant) Miami Herald vermeldde dat in juli 2011 van de 2,51 miljard aan projecten die door de IHRC werden goedgekeurd, er nog maar vijf zijn uitgevoerd voor een bedrag van 65,93 miljoen euro.

De IHRC werd vanaf het begin zwaar bekritiseerd door de Haïtianen. Haar mandaat werd dan ook niet vernieuwd in oktober 2011 en alle activiteiten zijn ondertussen stopgezet. De HRF was opgezet om in tandem te werken met de IHRC. Nu die partner er niet meer is, is het onduidelijk hoe het verder moet.

Wat te doen?
De hulp aan Haïti was tot nu niet gebaseerd op een respectvol partnerschap tussen de Haïtianen en de internationale gemeenschap. De acties van de donorlanden, de NGO's en de internationale instellingen waren niet transparant zodat de Haïtianen en anderen niet precies kunnen nagaan hoe het geld werd gespendeerd.

Zonder transparantie en een respectvol partnerschap kan de Haïtiaanse bevolking niet aansprakelijk worden gesteld voor wat in hun land gebeurt. Dit moet veranderen.

Respect, transparantie en aansprakelijkheid zijn de bouwstenen van de mensenrechten. Haïtianen hebben het recht te weten waar dat geld naar toe is gegaan, wat de plannen zijn met het geld dat nog over is en ze moeten partners worden in de besluitvorming over wat nog komen moet.

Zij zijn immers de mensen die de problemen zullen moeten oplossen eenmaal al het geld voor de noodhulp op is.

Bill Quigley en Amber Ramanauskas
Bill Quigley is onderdirecteur bij het Center for Constitutional Rights (Centrum voor Grondwettelijke Rechten) en hoogleraar wetgeving aan de Loyola University in New Orleans. Hij is een overlevende van de orkaan Katrina (2005) en al jaren actief voor de mensenrechten in Haïti. Hij werkt ook als vrijwilliger voor het Institute for Justice and Democracy in Haiti (IDJH) en het Bureau des Avocats Internationaux (BAI) in Port-au-Prince.

Amber Ramanauskas is advocaat en mensenrechtenonderzoeker.

(Vertaling uit het Engels: Lode Vanoost)


__________________________________________________________



Regionale economie lost crises op
Duurzaamnieuws 11 januari 2012

Hoe groter de markt, hoe groter de crisis als er iets mis gaat. Dat lijkt de les van een paar decennia ongebreidelde groei, die heeft geleid tot een samenstel van problemen die ieder op zich bedreigend zijn voor de hele planeet. Daarom is het vinden van de optimale schaal voor onze economie een belangrijke sleutel voor de oplossing van de diverse mondiale crises.

In de afgelopen decennia heeft in politiek en bedrijfsleven de nadruk op mondiale vrije markten, winstmaximalisatie, schaalvergroting en schaalvoordelen gelegen. Als gevolg van dit beleid nam het aantal lokale bedrijven af, net zoals de diversiteit (overal zien we dezelfde producten). Tegelijk zagen we een stijging van de inkomensongelijkheid en de mondiale onbestuurbaarheid.

Financiële, ecologische en sociale problemen zijn zo opgeschaald van lokaal naar mondiaal niveau. De efficiëntie uitgedrukt in geld is gestegen, maar de tijd-, materie- en energie-efficiëntie (die veel belangrijker zijn) zijn steeds verder gedaald. Het is tegenwoordig veel goedkoper paperclips, kerstballen en kleding te fabriceren in China en deze vervolgens naar Nederland te transporteren, dan deze zelf hier te maken.

Of nog gekker, we voeren veel producten die we zelf maken uit naar andere landen, terwijl we die zelfde producten voor eigen consumptie weer moeten invoeren…. Nagenoeg al onze productieketens zijn verspillend qua tijd, materie en energie. En dus oneconomisch.

De oplossing is eigenlijk even logisch als eenvoudig: keer de processen die tot de crisis hebben geleid om en de problemen verdwijnen vanzelf.

Eigen bloemkool eerst
Het kleiner maken van markten versterkt de lokale economie. Waarom een bloemkool de halve wereld over sturen als hij in de supermarkt om de hoek kan worden verkocht? Als je alleen maar kijkt naar het financiële effect zie je al grote voordelen: van een product, dat plaatselijk is geproduceerd en wordt verkocht in een winkel van een lokale eigenaar, blijft zeker de helft van de winst in de eigen regio. Als je een zelfde product koopt in een internationale winkelketen, die het centraal inkoopt, blijft hooguit 15% van de winst hier. De rest gaat naar producenten elders en naar anonieme aandeelhouders, die dat geld weer anoniem beleggen. Zo verdwijnt steeds meer geld van consumenten en kleine ondernemers naar de geldhandel van multinationals en banken. Precies die handel die de crisis deed ontstaan.

Als bijkomende voordelen wordt er veel minder verspild aan transportmiddelen, energie, menskracht, ruimte en tijd en worden de ecosystemen veel minder belast. Op lokale schaal is het ook veel minder moeilijk om zicht te houden op ketens en zo kringlopen te sluiten, waardoor een echte Cradle-to-cradle samenleving kan ontstaan.

Niet nieuw
Wie denkt dat het concept van een kleinschalige economie een nieuw idee is, vergist zich. Adam Smith beschreef al in de 18e eeuw de markteconomie zoals we die nu nog steeds hanteren. Maar hij gaf daar ook gelijk de grenzen bij aan: een markt kan alleen floreren als hij overzichtelijk, evenwichtig, rechtvaardig en gecontroleerd blijft.

In geen van zijn boeken is Smith te betrappen op een absoluut geloof in de vrije markt, en zeker niet in een vrije markt op wereldschaal (dit is een neoliberale gedachte). Hij had oog voor de nadelen van het kapitalisme; hij verachtte bedrijfsmonopolies en het vergroten van individuele rijkdom ten koste van andere mensen.

Tevens zag Smith een belangrijke taak voor de overheid om overtreders aan te pakken en geloofde hij in solidariteit binnen de samenleving. Eigenlijk is precies gebeurd wat Smith niet wilde: de kosten van het falen van de vrije markt voor de burgers en de bailouts voor de rijken. De burgers zijn leeggeplukt om de falende banken te herkapitaliseren.

We zijn de grenzen van de markt uit het oog verloren. Als we deze weer herstellen, keren we eigenlijk alleen maar terug naar de kern van de moderne economie.

Nu aanpakken
In veel gevallen is een regionale economie voordeliger. Zo leidt besluitvorming op regionaal niveau tot meer transparantie en directe aansprakelijkheid; inwoners van een regio houden eerder rekening met de natuur en de gemeenschap, omdat zij zich betrokken voelen en zelf moeten leven met de gevolgen.
Het is gemakkelijker om op regionaal niveau productieprocessen te volgen en aan te passen. Regionale productie leidt tot minder transport. Daarnaast zijn werknemers in regionale economieën onafhankelijk van besluiten van multinationals en internationale financiële instellingen om bijvoorbeeld de activiteiten te verplaatsen naar ontwikkelingslanden.

Ook biedt een regionale economie de mogelijkheid om een complementaire munteenheid in te voeren die ongevoelig is voor fluctuaties op de wereldmarkt. Regionale energie en voedselproductie maakt een regio onafhankelijk van prijsstijgingen van de mondiale markten.

Zelfs de diversiteit binnen de wereldgemeenschap neemt toe als overal bloeiende regionale economieën ontstaan; elke regio heeft de vrijheid om de economie en de productieketens op zijn eigen manier te organiseren waardoor er een grote variatie van leefstijlen ontstaat. De kansen zijn er, nu gaan we het doen!
|
Het komend jaar zullen wij door middel van een serie artikelen laten zien wat een regionale economie precies is en hoe je hieraan zelf kunt meebouwen. Onderwerpen als voedsel, energie, recycling, zorg, democratie, onderwijs, commons en financiering zullen aan bod komen.

Peter van Vliet en Martijn Jeroen van der Linden


__________________________________________________________




Grondwaterpeil daalt wereldwijd

04 januari 2012 door IPS

Het grondwaterpeil daalt wereldwijd, onder meer in belangrijke landbouwgebieden in Australië, China en de Verenigde Staten. Dat blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Californië op basis van satellietmetingen van de NASA.

Het succes van de mensheid hing altijd nauw samen met de toegang tot zoetwater, met name voor de landbouw. Maar uit de studie van het Center for Hydrologic Modeling in Irvine blijkt dat het niet goed gesteld is met onze waterreserves. Vooral in Californië, India, het Midden-Oosten en China daalt het grondwaterpeil.

Het Gravity Recovery and Climate Experiment (GRACE), een gemeenschappelijk project van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA en het Duitse Aerospace Center, maakt gebruik van twee satellieten die het grondwaterpeil meten. Tom en Jerry, zoals de satellieten genoemd worden, maken al sinds 2002 een maandelijkse foto. De gegevens zijn vooral belangrijk in gebieden waar de overheid zelf geen uitvoerige metingen uitvoert.
De resultaten zijn voor sommige regio's behoorlijk zorgwekkend. In sommige regio's, zoals Patagonië, speelt het klimaat een rol bij de daling van het grondwaterpeil, maar meestal is de landbouw de hoofdschuldige. Het blijkt dat China het grondwatergebruik onderschat.

Midden-Oosten
Ook erg droge gebieden met een snel groeiende bevolking laten een snel dalend grondwaterpijl zien. Schoolvoorbeeld is het Midden-Oosten. De klimaatverandering maakt het probleem nog erger, omdat droogtes toenemen en de neerslagpatronen extremer worden. Daardoor worden natte gebieden natter en droge gebieden droger.

Groot vraagteken is hoeveel water er ligt opgeslagen in de grondlagen. De satellieten van Grace kunnen enkel verschillen in waterniveau meten, maar hebben geen idee hoeveel water er in totaliteit is opgeslagen.


__________________________________________________________



Duurzaamheid wordt ieders eigenbelang
Duurzaamnieuws 2012-02-01

"Geen respecterend bedrijf kan er meer omheen verantwoordelijkheid te nemen voortaan duurzaam te ondernemen", dat zegt dr. Anniek Mauser, Directeur Duurzaamheid Benelux van Unilever en één van de genomineerden voor de 'Lof-award CSR-vrouw van het jaar. "Onder CEO Paul Polman gaat Unilever zelfs veel vèrder en neemt de verantwoordelijkheid voor duurzaam ondernemen binnen de gehele keten. Ook het ontkoppelen van groei en milieu-impact getuigt van visie en moed." Unilever heeft in het kader van dit 'nieuwe zaken doen' besloten geen kwartaalcijfers meer te publiceren. Die getuigen te veel van kortetermijndenken en geven de verkeerde prikkels.

Twintigers en dertigers
Ondanks deze ontkoppeling van groei en milieu streeft het bedrijf de komende jaren de omzet te verdubbelen en in 2020 zijn milieuvoetafdruk op productniveau te halveren. "Dat jaartal is een moment, geen eindpunt, want Unilever ziet verduurzaming van de gehele keten als haar missie, benadrukt haar duurzaamheidsmanager." Duurzaamheid wordt zo eigenbelang: voor het bedrijf, de producenten en de consumenten.

Zoiets doe je niet van de ene op de andere dag en is sterk afhankelijk van de lokale omstandigheden. "Het is een proces en vraagt een ingrijpende omslag in denken, bij ons intern, maar ook binnen de andere schakels van de keten. Het is het nieuwe zaken doen: grootschalig denken op een wereldmarkt, waar je toeleveranciers in toenemende mate ook kleine boeren zijn en waar uit economische noodzaak duurzaamheid de norm wordt", vat Mauser de omslag samen. "De zorg om het milieu is gelukkig niet meer alleen iets voor westerse milieubewegingen, die vaak tegen multinationals protesteerden. Het leeft nu zeker bij de generatie van twintigers en dertigers. Jonge boeren en ondernemers komen bij ons met ideeën, vragen of oplossingen voor deze verduurzaming van de keten. Zij beseffen dat het soms juist de grote bedrijven zijn, die iets op dit gebied voor elkaar krijgen, dat lokaal niet lukt."

Voortouw
Meten is weten, zo leert het Unilever Sustainable Living Plan*. Maar met cijfers of schone beloften red je de planeet niet. "Het is wel waarop je als multinational die zijn nek uitsteekt, wordt afgerekend door de buitenwereld", weet Mauser uit ervaring. "Het gaat bij Unilever niet alleen om bedrijfseconomische redenen om duurzaamheid in merken te integreren, maar over wie wat, waar en hoe bijdraagt aan duurzaamheid."

Bij het in kaart brengen van de levenscyclus van ruim 1600 producten wereldwijd was het een schok, toen bleek dat niet de industrie of leveranciers de grote vervuilers zijn, maar dat de consument verreweg de grootste milieuvoetafdruk achterlaat met 68 procent aan broeikasgassen en 50 procent aan water. "Het zou iets te gemakkelijk zijn hiervoor de verantwoordelijkheid alleen bij de consument te leggen, omdat die voetafdruk mede wordt veroorzaakt door producten zoals zeep, wasmiddelen, soep etc. waarin wij als Unilever een sterke marktpositie hebben. Daarom hebben wij wereldwijd het voortouw genomen verantwoordelijkheid te nemen voor het verduurzamen van de hele keten. En dat kunnen wij weer niet zonder de consument."

Ngo's en concurrenten
Maar hoe houd je zicht op de hele keten? Wie let waarop en is verantwoordelijk voor wat? Het nakomen van de beloften van duurzaam ondernemen binnen de keten kan Unilever alleen door samen te werken met overheden, ngo's, leveranciers, retail, concurrenten en consumenten.
Bij gebrek aan een eigen keurmerk werkt Unilever samen met ngo's die producten certificeren op sociale voorzieningen, watergebruik, energieverbruik, bioversiteit, dierenwelzijn etc. "Non-govermentele of -commerciële partijen zoals Rainforest Alliance, Fair Trade of de Dierenbescherming zijn voor ons onontbeerlijk vanwege hun contacten, voorwaarden en expertise. Hun gezag gaat over de grenzen van het bedrijfsbelang heen, onze concurrenten maken namelijk ook gebruik van deze certificeringen."

Consumentengedrag
Alle verduurzaming van de keten ten spijt, het gaat om de consument en hoe hij de producten gebruikt. In haar Sustainable Living Plan benadrukt Unilever de consument te willen helpen gezond en duurzaam te leven op een schone planeet. Het mag aanmatigend klinken en enige achterdocht wekken deze goede bedoelingen van een multinational, het is zeker een uitdaging. Het wordt een enorme klus zelfs met de marketingkracht van een Unilever om de consument te overtuigen van het waarom, de noodzaak, het gemak en dat het een kwestie van gewenning is.

Aan de hand van twee voorbeelden zout en wasmiddelen, schetst Mauser hoe Unilever te werk gaat en dat zelfs hier de concurrentie een belangrijke rol speelt in de timing. Iedereen weet dat te veel zout, suiker en vet niet goed voor ons is. Ook weten we dat deze stoffen in allerlei producten goedkope en dus veel gebruikte smaakversterkers zijn en dat we er als consument aan gewend zijn.

"Wil je nu bijvoorbeeld het zoutgehalte terugbrengen naar de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) geadviseerde vijf gram per dag, dan moet dat stapje voor stapje gebeuren. Het is een kwestie van timing, want zetten wij het met alle goede bedoelingen van dien op de plank en de concurrentie niet, dan kiest de consument toch voor die ouwe vertrouwde smaak en gaat dat ten koste van ons marktaandeel. In sectoraal overleg - in dit geval de Zout Taskforce - proberen we in Nederland, maar ook binnen Europa tot afstemming te komen binnen een bepaalde sector."

Klein en krachtig
Unilever streeft ernaar per 2020 de hoeveelheid water, broeikasgasemissie en afval in relatie tot haar producten te halveren. Zo ontwikkelt het bijvoorbeeld makkelijke uitspoelbare wasmiddelen die bij het wassen van kleren, met name op de hand minder spoelbeurten vergen en watergebruik beperken. Een must in landen met waterschaarste. Daarnaast maakt het bedrijf met leveranciers plannen om duurzame landbouwpraktijken te implementeren waardoor ook het watergebruik bij de teelt van gewassen wordt beperkt.

"Wist je", vraagt Mauser "dat één op drie huishoudens wereldwijd een Unilever-wasmiddel gebruikt? Dat zijn zo'n 125 miljard wassen per jaar. Als we nu allemaal een geconcentreerde variant zouden gebruiken - dat betekent zuiniger in gebruik, kleinere flessen, minder plastic, lichter in gewicht en dus minder transportbewegingen - dan scheelt dat zo'n vier miljoen ton CO2-uitstoot per jaar. Dat staat gelijk aan jaarlijks één miljoen auto's van de weg halen."

Ook hier geldt timing binnen de hele sector. Dat voorkomt verwarring bij de consument die toch eerder naar een grote fles niet-geconcentreerd wasmiddel grijpt dan naar een kleine fles met geconcentreerd wasmiddel voor het zelfde aantal wassen en dezelfde prijs. "Het is dan ons milieu dat uiteindelijk de prijs betaalt. Dus wil Unilever mensen inspireren tot kleine veranderingen in hun dagelijkse doen en laten om zo samen het grote verschil te gaan maken."


__________________________________________________________




Zonne-energie maakt opgang op platteland Bangladesh
DHAKA 29 december 2011 IPS

Plattelandsbewoners in Bangladesh die tot voort kort geen elektriciteit hadden, kiezen massaal voor goedkope zonne-energie.

Nizamuddin Sheikh (52), die een klein eetcafé heeft op de markt van Foilerhat in het district Bagerhat, vindt de 1900 taka (ruim 18 euro) die hij betaald heeft voor een installatie van 20 watt, inclusief zonnepanelen, batterij, regulator en een set lampen, de beste investering die hij ooit gedaan heeft.

"Voordat ik de set gekocht had, kon mijn restaurant alleen overdag open zijn. Nu ben ik ook 's avonds open en mijn inkomen is verdubbeld", zegt Nizamuddin. De installatie werd geleverd door Grameen Shakti, een zusterorganisatie van de Grameen Bank.

Nizamuddin moet 36 maanden lang 3,90 euro per maand betalen om de rest van het systeem af te betalen, maar dat kan volgens hem gemakkelijk.

Voor arm en rijk
"Als we uitleggen wat de voordelen van dit systeem zijn, zijn mensen erg geïnteresseerd", zegt Habibur Rahman, regiomanager van Grameen Shakti in Bagerat. "En ze kunnen onder voordelige voorwaarden op afbetaling kopen."

Mensen kunnen kiezen uit verschillende pakketten. De armsten betalen 10 procent van de totale kosten en de rest kunnen ze aflossen in 36 gelijke termijnen. Armere gezinnen kiezen meestal voor de set van 10 watt die 96 euro kost en geleverd wordt met een lamp van 5 watt die drie uur kan branden.

Mensen die wat meer te besteden hebben, kiezen krachtiger systemen. Zij betalen 35 procent van de aankoopprijs en lossen de rest in twaalf maanden af. Het duurste model van 135 watt kost 717 euro en levert vier uur onafgebroken stroom.

"De installaties zijn in trek vanwege de vele voordelen, maar ook omdat ze goedkoper zijn dan conventionele brandstoffen zoals kerosine en diesel. En er zijn nauwelijks onderhoudskosten", zegt Abser Kamal van Grameen Shakti.
"In de dorpen kunnen kinderen nu langer studeren en winkeliers en huisvrouwen kunnen langer werken. Ze kunnen met het systeem ook hun mobiele telefoons opladen, die al een grote verandering in hun leven teweeg hebben gebracht."

Geen belasting
Slechts 41 procent van de 142 miljoen Bengalezen is aangesloten op het nationale elektriciteitsnetwerk.

Grameen Shakti, een pionier op het gebied van groene energie, zette in 1996 al de eerste stappen op het gebied van zonne-energie en is nu de grootste distributeur van het 'solar home system' (SHS). Van de 1,1 miljoen systemen in het land, zijn er 700.000 door Grameen geleverd.

"We willen zonne-energie in elke hoek van het land en stimuleren dat ook door bedrijven voordelen de bieden", zegt Muhammad Enamul Huq, de Bengalese minister van Energie.

Bedrijven die zonne-installaties leveren, hoeven vijftien jaar lang geen belasting te betalen en zijn vrijgesteld van importheffingen op materialen. Buitenlanders die werken aan zonne-energieprojecten hoeven de eerste drie jaar in het land geen inkomstenbelasting te betalen.

Vorig jaar heeft de regering het verplicht gesteld om op het dak van alle nieuwe huizen en bedrijfspanden zonnepanelen te installeren.

"Over tien jaar vieren we dat ons land vijftig jaar onafhankelijk is en dan hopen we dat alle dorpen duurzame energie gebruiken", zegt M.A. Gofran, een Bengalese expert op het gebied van hernieuwbare energie.


__________________________________________________________




Inheemse armoede wakkert macht maoïsten aan
28 december 2011 door IPS

Extreme armoede en een gebrek aan aandacht daarvoor vanuit de overheid, drijft de adivasis in de armen van de maoïsten.

ALGARH - Lalgargh, een kleine stad op nog geen 150 kilometer afstand van de metropool Kolkata (voorheen Calcutta), haalde in 2008 de voorpagina's van de kranten toen inheemse Indiërs de stad onder leiding van maoïsten tijdelijk bezetten.
In juni 2009 hadden de veiligheidstroepen Lalgarh weer ingenomen, maar in de beboste omgeving zwaait de Communistische Partij van India (de maoïsten) nog steeds de scepter. De partij is sinds juni 2009 als terroristische groep verboden.

De maoïsten stellen dat ze opkomen voor de rechten van de adivasis (de inheemse bevolking) in het grondstoffenrijke Centraal en Oost-India. Mijnbouwbedrijven zijn zeer geïnteresseerd in die regio. De meeste van de ongeveer honderdduizend inheemse Indiërs wonen in deze regio, in de deelstaten Orissa, Jharkhand, Bihar, Andhra Pradesh, Chhattisgarh, Madhya Pradesh en West-Bengalen.

Hebzucht bedrijven
Volgens mensenrechtenactivisten heeft het maoïstische probleem wortels in het niet-inclusieve ontwikkelingsmodel dat de adivasis en andere kwetsbare groepen in de kou laat staan.

"Als gevolg van hebzucht van het bedrijfsleven zijn inheemsen in India ontheemd geraakt. Deze mensen zijn afhankelijk van gemeenschappelijke bezittingen en middelen, en deze manier van overleven wordt nu bedreigd. Dat roept weerstand op", zegt mensenrechtenactivist Binayak Sen. "Die weerstand uit zich in een regenboog van kleuren, maar er wordt een specifiek politiek etiket op geplakt", zegt hij, verwijzend naar de maoïsten.

Volgens Sen, een arts die een aantal jaren gevangen zat omdat hij koeriersdiensten voor de maoïsten zou hebben verricht, heerst in grote delen van India continu honger. "De Wereldgezondheidsorganisatie stelt dat iemand met een body mass index (BMI) lager dan 18,5, chronisch ondervoed is", zegt hij. "Dat is van toepassing op 36 tot 37 procent van de bevolking. Onder gemarginaliseerde groepen is dit naar schatting zelfs 60 procent."

Sen, die ook vice-voorzitter is van de Volksunie voor Burgerrechten, een bekende Indiase mensenrechtengroep, bekritiseert de gewelddadige aanpak van de overheid ten aanzien van de maoïsten. "Als mensenrechtenactivisten veroordelen we elke vorm van geweld, of dat nu is door de staat of door degenen die de staat uitdagen."

Moorden
Op 24 november, nadat gesprekken tussen de maoïsten en de overheid waren vastgelopen, werd rebellenleider Koteswar Rao (ook bekend als Kishenji) doodgeschoten.

De rebellen beantwoordden de moord op hun leider met meer geweld en dwongen bedrijven en instellingen te sluiten. Begin december werden minstens acht politiemensen en twee burgers vermoord bij een aanslag in de deelstaat Jharkhand. In andere staten moesten scholen en spoorwegen het ontgelden.

Een woordvoerder van de maoïsten, die zichzelf Akash noemt, zegt dat het opschorten van het staakt-het-vuren in West-Bengalen een gevolg is van de doorgaande operaties van de veiligheidsdiensten in de regio.

"Er heerst een extreem gebrek aan vertrouwen aan beide kanten", zegt Sujato Bhadra, een van de door de regering van West-Bengalen benoemde gesprekspartners voor de maoïsten. "De regering heeft het staakt-het-vuren niet op waarde geschat; het had kunnen leiden tot een de-escalatie van het geweld. Alleen met geduld kunnen we iets bereiken. Misschien is het mogelijk om de weg te gaan die in Nepal bewandeld is. Daar doen de maoïsten nu mee in de politiek", zegt hij.

Snelle verstedelijking
De maoïstische opstand in India wordt gevoed door snelle verstedelijking en grote winsten in het bedrijfsleven. De politieke koers die dat mogelijk maakt wordt door activisten een gebrekkig ontwikkelingmodel genoemd. De rechten van de inheemse en gemarginaliseerde bevolking worden in dit model geschonden.

Een voorbeeld is de toestemming die het Britse mijnbouwbedrijf Vedanta Resources kreeg om bauxiet te winnen in het inheemse gebied Niyamgiri in de deelstaat Orissa. Activisten wisten in dit geval echter, met steun van de voormalige Indiase minister van Milieu Jairam Ramesh, het project tegen te houden. Het grondgebied van de inheemse groepen Dongaria Kondh en Kutia Kondh bleef daardoor intact.


__________________________________________________________



Strijd tegen landroof in Oeganda gebaat bij internationale druk
FIAN Geschreven door: Camiel Donicie op 29 december 2011

Al tien jaar strijdt hij voor teruggave van het land waarvan zijn gemeenschap in 2001 met geweld werd verdreven. Mensenrechtenactivist Peter Kayiira reisde de afgelopen weken door Europa om aandacht te vragen voor een typisch geval van landroof in Oeganda. Internationale aandacht lijkt te helpen om de zaak hoog op de agenda van de Oegandese justitie te houden.

In augustus 2001 verjoeg het Oegandese leger 392 boerengezinnen van hun land in het Mubende-district in het binnenland van Oeganda. De Duitse multinational Neumann Kaffee Gruppe nam de grond daarop via een dochteronderneming in gebruik om er koffie te verbouwen. Jaren later zijn de boeren nog steeds niet gecompenseerd en leven velen van hen in armoedige omstandigheden aan de rand van de plantages. Een typisch geval van land grabbing of landroof, een fenomeen dat sinds kort volop in de schijnwerpers staat.
Tijdens een door mensenrechtenorganisatie FIAN georganiseerde lezing in Amsterdam wappert voormalig schoolhoofd Peter Kayiira geregeld met de Oegandese grondwet en verschillende internationale mensenrechtenverdragen die het land heeft ondertekend. "Op papier is de bescherming van landrechten in Oeganda prima, het probleem zit hem vooral in de uitvoering," zegt hij. Kayiira's gemeenschap kaartte de zaak al in 2002 aan bij het hooggerechtshof in Kampala, maar de zittingen werden keer op keer uitgesteld en als ze wel doorgingen kwamen de aangeklaagde partijen niet opdagen. "Negen jaar na dato staan we daarom nog steeds met lege handen."

Toegang tot recht
Die trage procesgang is lang niet het enige probleem in het Oost-Afrikaanse land, stelt Ezra Schraven, die als promovendus van de Universiteit Wageningen onderzoek deed naar landroof in Oeganda. In veel vergelijkbare gevallen van land grabbing komt het volgens haar niet eens tot een rechtszaak. Vaak vanwege onwetendheid bij de slachtoffers over hun rechten, maar ook de hoge proceskosten vormen een struikelblok. Alleen al om een rechtszaak te beginnen moet de dagende partij in Oeganda een borgsom van tien- tot twintigduizend euro overleggen. In het geval van Mubende kon dat bedrag alleen worden opgebracht met financiële steun van internationale NGO's. Als de rechtbank in het voordeel van de slachtoffers van een land grab besluit is dat overigens niet gelijk reden tot juichen, vertelt Schraven. "In het noordoosten van Oeganda won de inheemse Benet-gemeenschap een rechtszaak tegen de beslaglegging op haar land, maar de autoriteiten weigerden vervolgens het vonnis uit te voeren."

Internationaal overleg
Tegen de achtergrond van een steeds grotere run op land en grondstoffen wordt op internationaal niveau inmiddels gewerkt aan vrijwillige richtlijnen om de landrechten van kleine boeren beter te beschermen. De onderhandelingen daarover binnen de FAO (Food and Agricultural Organization van de Verenigde Naties, red.) zijn hoopgevend, zegt Daniel Gomez, voorzitter van FIAN Nederland. "Het grote winstpunt voor ons is dat voedselzekerheid en het mensenrecht op voedsel centraal komen te staan in de Guidelines on Responsible Governance of Tenure of Land Fisheries and Forests." Ook de erkenning van gewoonterechten en informele pachtovereenkomsten is volgens Gomez een belangrijke stap in de bescherming tegen land grabbers. Hoewel de door de FAO uitgevaardigde richtlijnen niet juridisch afdwingbaar zijn, gaat er wel een stevige morele druk van uit om staten aan hun verantwoordelijkheden te houden.

Hoop op terugkeer
Voor Kayiira komen de richtlijnen van de FAO waarschijnlijk te laat. Toch is hij optimistisch over de kansen van zijn gemeenschap om terug te keren. "De internationale aandacht, onder andere in de vorm van een brievencampagne, begint merkbaar zijn vruchten af te werpen. In januari is er weer een zitting in onze zaak en het lijkt erop dat de nieuwe rechter ons ditmaal wel serieus neemt. Mijn regering is bovendien bang voor internationale imagoschade."
Camiel Donicie is communicatiemedewerker bij mensenrechtenorganisatie FIAN Nederland.


__________________________________________________________



Medisch afval verspreidt ziekten in Keniaanse sloppenwijken
woensdag 28 december 2011 door IPS , David Njagi

NAIROBI - Collins Otieno (25) weet nooit wat de nieuwe dag hem zal brengen: het kan wat geld zijn, maar ook een infectie. Hij leeft van wat hij vindt tussen het afval in Soweto, een sloppenwijk in de Keniaanse hoofdstad Nairobi.

In de vier jaar dat hij afval inzamelt in Soweto, een wijk die bekend staat om de vele ziekenhuizen die zonder vergunning werken, heeft hij gezien hoe collega's wonden opliepen of overleden aan mysterieuze infecties.

Op een goede dag verdient Otieno ongeveer 2,30 euro, genoeg om een pak maïsmeel en wat groente te kopen voor twee dagen. Hij voelt zich nog gezond en weet niet of hij iets opgelopen heeft van het medisch afval dat hij tussen het reguliere afval vindt.

"Ik heb ooit een dode foetus gevonden in de vuilnis", zegt Otieno. "Ik schrok daar enorm van. Een buurman heeft me geholpen om aangifte te doen bij de politie. Ik vind ook wel eens injectiespuiten en andere scherpe voorwerpen", zegt hij.

Slechtbetaalde artsen
Volgens Linus Ndegwa, programmamanager infectiebeheersing bij het Keniaanse Centrum voor Ziektenbeheersing (CDC), levert elke persoon die in een ziekenhuis belandt minimaal een halve kilo aan medisch afval op. Twintig procent van dat afval kan infecties veroorzaken.

In het Keniaanse Nationale Ziekenhuis (KNH), waar maandelijks 7500 patiënten worden toegelaten, wordt elke maand minimaal 3740 kilo afval geproduceerd. Daar is het afval van klinieken die geen vergunning hebben, nog niet in meegerekend, zegt Ndegwa.

Alleen al in Nairobi worden elke maand vijftien illegale klinieken ontdekt, volgens de Keniaanse Medische Raad voor Beoefenaars. Controleurs zijn echter vaak corrupt en artsen klagen dat ze slecht betaald worden vergeleken met artsen in bijvoorbeeld Zuid-Afrika. Daarom zoeken ze aanvullende inkomstenbronnen.

"Van klinieken die geen vergunning hebben, is niet duidelijk wat ze met hun afval doen", zegt Ndegwa. "Dat betekent dat het vaak terechtkomt op stortplaatsen in woongebieden."

Hiv en hepatitis
Volgens de richtlijnen van de overheid uit 2008 moet medisch afval verbrand worden. Doordat verschillende overheidsinstellingen zich bezighouden met afval en milieu, is niet duidelijk wie de richtlijnen moet implementeren.

Hoewel de overheid het afval wil verwerken door verbranding, zijn er ook mensen die die verwerkingsmethode te schadelijk voor het milieu vinden. Zij pleiten voor andere afvalverwerkingsmethoden, omdat bij verbranding onder meer gevaarlijke dioxinen en broeikasgassen kunnen vrijkomen.

Een alternatief is bijvoorbeeld het steriliseren van materiaal in autoclaven en het daarna te versnipperen tot onschadelijk materiaal.

Op die manier kunnen honderden Kenianen die met afval omgaan, beschermd worden tegen besmetting met bijvoorbeeld hiv en hepatitis B en C, zegt Daniel Yumbya van de Keniaanse Raad voor Medische Beoefenaren.

Kinderen
Niet alleen Otieno loopt gevaar. Zo'n zestigduizend straatkinderen zoeken in het afval van Nairobi naar bruikbare dingen. De kinderen lopen volgens P.W. Wanjohi, een hoge ambtenaar op het Keniaanse ministerie van Gezondheid ook het risico op tetanus. De overheid bestudeert de risico's voor de kinderen echter nog, zegt hij. "Ze zijn kwetsbaar vanwege hun leeftijd. Hun immuunsysteem is zich nog aan het ontwikkelen."



__________________________________________________________



Peruaanse gletsjers smelten nog sneller dan verwacht
27 december 2011 door IPS , Stephen Leahy

UXBRIDGE - In Peru komt er steeds minder smeltwater van de gletsjers van de Cordillera Blanca, de hoogste tropische bergketen ter wereld. Volgens een nieuw onderzoek gebeurt dit twintig jaar vroeger dan verwacht. Het water voorziet een belangrijk deel van het noorden van het land van water.

De hoeveelheid water van de smeltende gletsjers van de Cordillera Blanca, een bergketen in de Peruaanse Andes, is al over zijn hoogtepunt heen, zegt glacioloog Michel Baraer van de Canadese McGill-universiteit. Dat hoogtepunt was pas over twintig tot dertig jaar verwacht. Baraer is hoofdauteur van de studie die zopas in het Britse Journal of Glaciology verscheen.

Geen weg terug
"Onze studie laat zien dat de gletsjers die het stroomgebied van de Santarivier voeden al te klein zijn om de vroegere waterstromen aan te houden", zegt Baraer. "In het droge seizoen is er tot 30 procent minder water. De daling is permanent. Er is geen weg terug."
De Andesgletsjers gaan snel achteruit. De laatste dertig jaar verloren ze 30 tot 50 procent van hun ijs, volgens het Franse Institut de Recherche pour le Développement (IRD). Een groot deel van die achteruitgang dateert van na 1975 en wordt toegeschreven aan de stijgende temperaturen door de klimaatwijziging.

In Bolivia verdween de Chacaltayagletsjer in 2009. Zelfs de koudste Andesgletsjers moeten terrein prijsgeven. Het Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek in Chili meldde deze maand dat de Jorge Montt-gletsjer in nauwelijks een jaar tijd 1 kilometer korter is geworden.
Het afsmelten van de gletsjers op verschillende plaatsen in de wereld is een van de sterkste bewijzen dat de klimaatwijziging volop bezig is, zegt de gerenommeerde glacioloog Lonnie Thompson van de Ohio State University.

Grootste aantal gletsjers
In veel valleien van de tropische en subtropische Andes is het smeltwater van de gletsjers in de lente en zomer van vitaal belang voor de landbouw, de veeteelt en de menselijke consumptie. Verscheidene grote steden hangen van dit water af.
Van alle tropische bergketens in de wereld telt de Cordillera Blanca het grootste aantal gletsjers. In 1930 waren die gletsjers nog goed voor 850 vierkante kilometer, eind vorige eeuw doken ze al onder 600 vierkante kilometer, zeggen Baraer en acht andere onderzoekers van de Ohio State University, de University of California, het IRD en afdeling Glaciologie van de Nationale Waterautoriteit van Peru.

Woestijn
Het meest smeltwater van de bergketen gaat naar het stroomgebied van de Santarivier. De onderzoekers onderzochten de ontwikkeling van de debieten van de jaren vijftig tot de jaren negentig. Van de negen zones van het stroomgebied zijn zeven al over hun hoogtepunt heen en vertonen ze een dalende watertoevoer in het droge seizoen.
"De Andes in het noorden (van Peru) staat dicht bij het punt een woestijn te worden", zegt Baraer. Nu bereikt maar 20 procent van het watervolume van de Santa de Stille Oceaan. "Tachtig procent wordt nu al gebruikt", zegt Baraer. "Dat het zal blijven dalen, staat vast. De vraag is alleen hoeveel en hoe snel." De atmosfeer bevat zoveel CO2 dat "het voor de meeste Andes gletsjers al te laat is."



__________________________________________________________



Klimaat zet Amerikaanse katoen en vleesproductie onder druk
23 december 2011 door IPS

Historische droogte heeft verregaande gevolgen voor Texas en mogelijk voor de hele Amerikaanse economie. Volgens de Texas Forest Service heeft het gebrek aan neerslag al tot 500 miljoen bomen doen afsterven, goed voor 10 procent van het totale bosoppervlak in de staat.

De landbouw en veeteelt, erg belangrijk in de Amerikaanse economie, krijgen zware klappen. Texas produceert normaal de helft van het Amerikaanse katoen, maar dit jaar is zelfs de productie van geïrrigeerd katoen met 60 procent teruggevallen. De boeren hebben de productie van niet-geïrrigeerd katoen stopgezet. Veeboeren verkopen nu al grote delen van hun kuddes omdat het vee geen gras meer vindt en de waterpoelen opdrogen. Op termijn kan de huidige verkoop de prijs van vlees de hoogte injagen, omdat er dan minder vlees voorradig zal zijn.

Volgens economen kostte de droogte de Texaanse landbouwsector in augustus al 5,2 miljard dollar (3,8 miljard euro), een cijfer dat sindsdien enkel is blijven stijgen. Klimatologen voorspellen dat het weerfenomeen La Niña de droogte nog tot februari zal rekken.

Tiemann's Mistletoe, Inc., het Texaanse bedrijf dat normaal 95 procent van de commerciële maretak verkoopt, houdt het dit jaar voor bekeken. "Er is niet genoeg maretak in Texas om het commercieel rendabel te maken", zegt Robert Tiemann in de krant New York Times. Hij schat dat 60 tot 70 procent van de planten vernield zijn door de droogte, de ergste in de geschiedenis van Texas.

Het is niet de eerste keer dat de klimaatverandering roet in het eten gooit bij traditionele feesten. In oktober werden honderden pompoenvelden vernield door orkaan Irene en extreme neerslag, waardoor Halloween in gevaar kwam.



__________________________________________________________



Rel over ijzererts in Sierra Leone
FREETOWN , 22 december 2011 (IPS)

In Sierra Leone is ruzie ontstaan over een lease-overeenkomst die het mogelijk moet maken ijzererts te winnen in het Gola-regenwoud. Een dorpshoofd tekende in april zonder medeweten van de lokale bevolking een contract met een mijnbouwbedrijf.
Leden van het 'chiefdom' Tonkia bereiden een rechtszaak tegen hun leider voor omdat ze niet willen dat hun grondgebied, Baglia Hills, de komende vijftig jaar in handen komt van het Britse bedrijf Sable Mining.

Mijnbouwbedrijven azen al lang op dit land vanwege de vermoede rijkdom aan ijzererts. In Baglia Hills zou voor naar schatting 115 euro miljard aan ijzererts te winnen zijn.

De Tonkia-gemeenschap is woedend over de deal. "De chief is de bewaker van het land, hij kan het niet verkopen", zegt Alfred Williams, lid van de Associatie van Tonkia-Afstammelingen. Volgens Williams wist de bevolking niet van de overeenkomst totdat de lokale media erover berichtten op basis van een verklaring van Sable Mining.

Geen vergunning
Wat de zaak nog controversiëler maakt, is dat president Ernest Bai Koroma het 75.000 hectare tellende regenwoud in december tot beschermd gebied en nationaal park heeft verklaard. Het Gola-regenwoud hoort bij de top 25 van gebieden die rijk zijn aan biodiversiteit.

De regering is een onderzoek begonnen naar wat ze noemt een "illegale landverkoop."

Kate Garnett van de Bosbouwbeheer en Faunabeheer Eenheid van de overheid, zegt dat Sable Mining opgelicht is door "iemand ter plaatse." De overheid heeft een verklaring uitgegeven waar in staat dat verkoop van Baglia Hills en mijnbouw in het regenwoud illegaal is.

Volgens Jonathan Sharkar, verantwoordelijke voor mijnbouw bij het ministerie van Minerale Hulpbronnen, is er nooit contact geweest met Sable Mining Africa. "Sable Mining heeft geen vergunningaanvraag gedaan in dit land en we zijn ook niet met het bedrijf in gesprek." Landrechten zijn volgens hem bovendien alleen rechten op het "oppervlak", wat in de grond zit is van de overheid.

Een woordvoerder van Sable Mining bevestigt dat het bedrijf geen exploitatievergunning heeft voor Baglia Hills. Het mijnbouwbedrijf wil verder geen commentaar geven en verwijst naar eerder dit jaar uitgegeven verklaringen. In die verklaringen stelt Sable Mining dat de eigendomsdocumenten geregistreerd zijn bij de overheid. De regering ontkent dat echter.



__________________________________________________________



Droevig kerstverhaal: de mysterieuze verdwijning van 's werelds grootste rendierkudde

SURVIVAL INTERNATIONAL PERSBERICHT, 21 december 2011

De omvang van de grootste rendierkudde op aarde is dramatisch afgenomen. De plaatselijke inheemse bevolking wijdt dit aan de toename van industriële megaprojecten in het betreffende gebied.

De George River kudde die ooit 8 tot 9 honderdduizend exemplaren telde, is met 92% geslonken tot slechts 74.000 dieren.

De kudde trekt al millennia over de uitgestrekte toendra van Quebec en Labrador in Oost Canada. Rendieren, die in Noord-Amerika kariboes worden genoemd, zijn van cruciaal belang voor de cultuur van de inheemse Cree en Innu in dit gebied.

In de afgelopen decennia zijn grote delen van het trekgebied van de kudde echter aangetast door een reeks megaprojecten. Mijnbouw (voor de winning van ijzererts), het onder water laten lopen van enorme landoppervlakten voor de opwekking van hydro-elektriciteit en de aanleg van wegen hebben allemaal hun tol geëist, aldus de Innu.

Stamoudste en stamhoofd Georges-Ernest Gregoire verklaarde vandaag tegenover Survival International: "De kariboe is van cruciale betekenis voor onze cultuur, onze geloofsovertuigingen en onze samenleving van jagers die al duizenden jaren leven op Nitassinan (het schiereiland Quebec-Labrador).

"Maar alle grootschalige industriële 'ontwikkelings'-projecten die de afgelopen veertig jaar aan ons land zijn opgelegd hebben met elkaar een negatief effect gehad op de omvang van de kariboe-kudde. Daarom is het noodzakelijk dat we onze gebieden en natuurlijke rijkdommen effectief kunnen controleren en dat we als gelijkwaardige partij worden betrokken bij de besluiten die een impact hebben op ons land en op de dieren die daar leven."

Een andere Innu, Alex Andrew, verklaarde: "Onze stamoudsten zeggen dat de dieren de eersten zullen zijn die getroffen worden. De voedselketen zal worden doorbroken, wat uiteindelijk veel leed zal veroorzaken."

"Ontwikkeling op deze schaal, met alle daarmee verbonden mijnbouw, wegenaanleg, houtexploitatie en waterkrachtcentrales, stelt ons voor een bijna onoverkomelijk dilemma als we willen dat de kariboes blijven bestaan."

Stephen Corry, directeur van Survival International, zei vandaag: "Als we echt geven om de natuur en ons bewust zijn van de wederkerige relatie die we met haar hebben, wat dus verder gaat dan het passief kijken naar natuurprogramma's op tv, dan wordt het tijd dat we gaan luisteren naar inheemse volken. Zij weten beter dan wie ook waar ze het over hebben. Voor de Innu zijn rendieren er niet alleen maar voor de kerstdagen."

Lees meer op de Nederlandstalige website van Survival International
http://www.survivalinternational.nl/nieuws/7971



__________________________________________________________


"Strijd tegen klimaatverandering moet meer aandacht hebben voor vrouwen"
20 december 2011 door IPS , Edgardo Ayala

SAN SALVADOR: Erken het recht op water als een mensenrecht. Maak een einde aan grote projecten die arme plattelandsbewoners in moeilijkheden brengen. En stem maatregelen tegen de klimaatopwarming meer af op vrouwen. Dat zijn de belangrijkste aanbevelingen van een hoorzitting van Salvadoraanse vrouwen over de klimaatverandering.

Eigenlijk had de bijeenkomst al in oktober moeten plaatsvinden - zodat de conclusies op de internationale klimaattop van Durban hadden kunnen weerklinken. Maar net toen werd El Salvador getroffen door een zware tropische storm en hevige regens, grillen van de klimaatverandering.

Noodweer
Veel plattelandsbewoners in El Salvador worstelen nog altijd met de gevolgen van dat onweer. "Onze oogst van bonen en maïs is vernield en door een overstroming zijn al onze konijnen verdronken", klaagt Irma Solórzano, een deelneemster uit de westelijke provincie Ahuachapán.

Het noodweer eiste 43 slachtoffers, zette 10 procent van El Salvador onder water en beschadigde 40 procent van alle wegen. De Economische Commissie van Latijns-Amerika schat dat het herstel van alle schade 4,2 miljard dollar (2,2 miljard euro) zal kosten.

Er kwamen alleen vrouwen aan het woord op de bijeenkomst, die in verschillende luiken tussen 13 en 18 december plaatsvond. Terecht, oordeelden de deelneemsters. "Als er tekort is aan voedsel of als er geen drinkwater meer is, zijn wij het die oplossingen moeten vinden", zegt Vidalina Morales, een vrouw van 43 met vijf kinderen.

Meer oog voor vrouwen
De wereld moet snel optreden tegen de klimaatverandering. Dat was een voor de hand liggende conclusie van de bijeenkomst. Landen als El Salvador moeten daarbij ook meer oog hebben voor de rol die vrouwen kunnen spelen en voor hun specifieke belangen. Maatregelen om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen, moeten ook gericht worden op de problemen waarmee vooral vrouwen af te rekenen krijgen. Volgens de vrouwen moet El Salvador bijvoorbeeld alles op alles zetten om zelf genoeg voedsel te produceren, levensmiddelen betaalbaar te houden en plaatselijke watervoorraden te beschermen.

Door de opwarming van de aarde zal de waterschaarste in veel landen toenemen. Als het enige land in Centraal-Amerika kampt El Salvador nu al met watertekorten. De deelnemers aan de hoorzitting pleitten er dan ook voor het recht op water te erkennen als mensenrecht en eindelijk ook de nodige wetten goed te keuren die garanderen dat alle inwoners van het land altijd toegang hebben tot water. De volksvertegenwoordigers van El Salvador discussiëren al sinds 2006 over een waterwet, die maar niet goedgekeurd raakt.

Verzet tegen grote projecten
Opvallend was dat veel plattelandsvrouwen ook kritiek hadden op grote projecten die het milieu en daarmee ook hun levensonderhoud aantasten. De bouw van grote dammen en mijnbouwprojecten moeten worden stilgelegd als ze de omwonenden schade berokkenen, klonk het.

De regering mag zich ook niet verschuilen achter de gevolgen van de klimaatverandering voor de levensomstandigheden op het platteland om er projecten door te duwen die de armoede nog doen toenemen, waarschuwt Ivette Aguilar, een Salvadoraanse klimaatexpert die als een van de "rechters" van de hoorzitting optrad. Volgens cijfer van de Verenigde Naties moet 40 procent van de Salvadoranen rondkomen met minder dan twee dollar (1,5 euro) per dag.




__________________________________________________________


Landgrabbing bedreigt armen steeds meer

Duurzaamnieuwsd 18-12-2011 | Bron: iNSnet

Het grootste onderzoek ooit naar grote landaankopen in ontwikkelingslanden toont meer nadelen aan dan voordelen. Dat concludeert een publicatie van de International Land Coalition (ILC) van 14 december 2011. Uit het onderzoek kwamen trends naar voren die niet eerder waren opgemerkt.

1 : nationale elites spelen een veel grotere rol in landovernames dan we dachten.
2 : voedsel is bij deze transacties niet bepalend.

Van de 71 miljoen onderzochte hectares was 22% bestemd voor mijnbouw, toerisme en bosbouw. Driekwart van de resterende 78% landbouwgrond ging naar de winning van biobrandstoffen.

Hoewel grote grondtransacties ook kansen kunnen opleveren, ontstond er schade voor de allerarmsten. Ze verliezen vaak toegang tot land en hulpbronnen die voor hun levensonderhoud essentieel zijn.

Beloofde werkgelegenheid bleef uit. In hun haast om investeringen aan te trekken missen regeringen langetermijn belasting- en lease-inkomsten. Betere onderhandelingen hadden dit kunnen voorkomen.

Ook economisch gaan armen er op achteruit. Internationale wetten beschermen de grote investeerders. Steeds minder internationale regelingen beschermen de armen op het platteland. Ook ontbreekt het aan afspraken om investeringen te doen in duurzame ontwikkeling en in armoedebestrijding. Beleidsmakers denken dat kleinschalige landbouw geen toekomst heeft. Voor het bereiken van voedselzekerheid kiezen ze daarom voor grootschalige intensieve landbouw.

De onteigeningen en de marginalisering van de armen op het platteland zijn niets nieuws. Integendeel. Dit proces lijkt steeds meer door te zetten. Het rapport laat zien dat de toekomst van landelijke gemeenschappen in het Zuiden op een kruispunt staat van uitputting van land en van de bescherming van ecosystemen.

Het rapport pleit nadrukkelijk voor investeringsmodellen waarvoor geen grote grondaankopen nodig zijn en voor samenwerking met lokale grondeigenaren, met respect voor hun landrechten en voor het stimuleren van kleine boeren om een sleutelrol te vervullen in het voldoen aan de voedselbehoeftes van de toekomst.




__________________________________________________________


Experts waarschuwen voor dalend grondwaterpeil Bangladesh
17 december 2011 (MO*)

Deskundigen in Bangladesh vrezen dat een snelle daling van het grondwaterpeil in hun land de voedsel- en waterzekerheid van miljoenen mensen in het gedrang zal brengen. De problematische Bengaalse grondwaterstanden zouden in de nabije toekomst ook de biodiversiteit van 's werelds grootste mangrovegebied kunnen bedreigen.

'We zijn roekeloos met ons grondwater omgesprongen. Sinds 2004 geraakt de grondwaterspiegel niet meer bijgevuld', vertelt Eftekhar Alam van de Bangladesh Agricultural Development Corporation, een semi-autonome organisatie onder het ministerie van Landbouw. Alam's onderzoek wijst uit dat het grondwater van Bangladesh met een snelheid van 53 miljard kubieke meter per jaar aan de bodem onttrokken wordt, terwijl het slechts met vijftig miljard kubieke meter opnieuw bijgevuld wordt.

Samen met andere deskundigen waarschuwt Alan voor de lange termijn gevolgen van deze "roofbouw". 'Er zijn tal van problemen verbonden aan de uitputting van de grondwatervoorraden', verklaarde Mohammad Shamsudduha, doctoraal onderzoeker aan University College London, aan de Bengaalse krant The Daily Star. Een daling van het waterpeil in rivieren en meren, irrigatieproblemen, verminderde waterkwaliteit, hogere pompkosten en landverzakkingen zijn volgens Shamsudduha allemaal problemen waarmee Bangladesh te kampen zal krijgen indien de dalende lijn van het grondwaterpeil zich voortzet.

Irrigatie
In tegenstelling tot oppervlaktewater, zoals meren en rivieren, bevindt grondwater zich in bodems en gesteenten in de grond. Het wordt hoofdzakelijk aangevuld door neerslag, die het aardoppervlak al dan niet rechtstreeks binnendringt en zich in poreuze bodemlagen, ook wel 'aquifers' of bassins genoemd, opslaat.

De laatste decennia hebben de Bengaalse overheid en tal van onderzoekers het gebruik van grondwater voor irrigatie gepromoot als een manier om de seizoensgebonden voedselonzekerheid onder boeren aan te pakken. Bengaalse landbouwers zijn voor de oogst van hun gewassen traditioneel altijd erg afhankelijk geweest van de timing van het regenseizoen, dat slechts een viertal maanden duurt en waarin het leeuwendeel van de totale jaarneerslag valt. In het droge seizoen vonden zij daardoor niet altijd het benodigde irrigatiewater.

In tegenstelling tot de neerslag van het onberekenbare regenseizoen, is grondwater wél het hele jaar door beschikbaar. Op het Bengaalse platteland werden de voorbije decennia daarom - met het oog op stabielere watervoorziening - zeer veel waterpompen of 'tube wells' geïnstalleerd. Dat deze pompsystemen vandaag de dag cruciaal zijn, verduidelijkt Alam: 'Tijdens de piek van het droge seizoen, van maart tot april, is 63 procent van het irrigatiewater in Bangladesh afkomstig van grondwater dat via ondiepe Experts wijzen erop dat een te grote fixatie op grondwater zijn eigen problemen gecreëerd heeft. pompsystemen naar boven gehaald wordt.'

Verzilting
Experts wijzen er nu echter op dat een te grote fixatie op grondwater zijn eigen problemen gecreëerd heeft. Alam stelt in eerste instantie dat de ondiepe waterpompen, die slechts een twintigtal meter in de grond reiken, droog zullen komen te staan wanneer het grondwaterpeil onder dit niveau zakt. Omdat dit soort van pompsystemen over het hele land voor kleinschalige irrigatie en drinkwater gebruikt worden, zou dit verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de voedsel- en waterzekerheid van miljoenen mensen.

Het probleem dat Alam echter het meeste zorgen baart, is het risico op verzilting dat de dalende waterstanden met zich meebrengen. Wanneer het grondwaterpeil onder het zeeniveau duikt, zal zoutwater uit de Indische Oceaan immers de bodem binnendringen om het ontstane vacuüm onder de grond op te vullen. 'Het hele gebied rond Dhaka zou overstelpt worden met zouthoudend water. Vijftig miljoen mensen zouden hierdoor getroffen worden', aldus Alam.

Een verzilting van de bodem zou mogelijk ook verstrekkende gevolgen inhouden voor de biodiversiteit van de Sundarbans, 's wereld grootste mangrovebossen die zich in de rivierdelta van de Ganges, op de grens tusen India en Bangladesh, uitstrekken.

Niet alleen op platteland
Dat de overfixatie op grondwater niet uitsluitend een probleem van het Bengaalse platteland is, illustreert hoofdstad Dhaka met verve. Maar liefst 97 procent van de watervoorziening in deze miljoenenstad is afkomstig van grondwater.

Deze eenzijdige en buitensporige afhankelijkheid van grondwater werd mee verantwoordelijk gesteld voor het acute watertekort dat Dhaka tijdens de piek van het droge seizoen van 2010 stevig in haar greep hield. Regelmatige elektriciteitstekorten zorgden er toen voor dat de bevoegde autoriteiten het nodige water niet meer konden oppompen.

Deskundigen als Alam en Shamsudduha zijn het erover eens dat de te grote dependentie van grondwater dringend een halt moet worden toegeroepen. Umme Kulsum Navera, lector aan de Bangladesh University of Engineering and Technology, onderstreept dat de problematische Bengaalse grondwaterspiegel zich niet vanzelf zal herstellen: 'Onze rivieren zijn aan het opdrogen en onze modellen voorspellen dat we in de toekomst meer water op een korte tijd te verwerken zullen krijgen. Dit vult het grondwater niet aan omdat de meeste regen over land zal wegvloeien.'




__________________________________________________________


"Vrijhandelsverdrag EU India is rampzalig voor voedselzekerheid"
17 december 2011 door Isolda Agazzi, IPS

Het vrijhandelsverdrag waar de EU en India over in onderhandeling zijn, ondermijnt de voedselzekerheid van een groot deel van de Indiase bevolking, blijkt uit onderzoek van Indiase en Duitse ngo's.

De organisaties, waaronder het Indiase Third World Network (TWN) en de Duitse Heinrich Böll-stichting, hebben een effectonderzoek uitgevoerd naar aanleiding van het verdrag dat nu ter tafel ligt. Daaruit blijkt dat vooral de mensen die afhankelijk zijn van de pluimvee- en zuivelsector risico lopen. Bovendien zouden retailers alle bescherming verliezen tegen supermarktgiganten doordat invoertarieven worden geschrapt.

De onderhandelingen lopen al sinds 2007, maar kunnen volgend jaar worden afgerond. Het zou "rampzalig" zijn, zeggen de onderzoekers. "De EU vraagt India om zijn tarieven op meer dan 92 procent van zijn importen te schrappen, inclusief industriële en landbouwproducten", zegt Ranja Sengupta, senior onderzoeker van TWN. "Aangezien de handel met de EU 60 procent van de totale handel van India omvat, zou dat een ramp betekenen in sectoren die tot nog toe beschermd waren, zoals landbouw."

Melkcrisis
Het onderzoek richt zich vooral op zuivel en kip omdat heel veel Indiërs zelf rondkomen van kippen die ze in hun eigen achtertuin houden. Aangezien er 90 miljoen mensen in de zuivelsector werken, kan het schrappen van invoertarieven leiden tot een nieuwe melkcrisis, zoals in 1999. Toen werd de zorgvuldig opgebouwde zelfvoorzienendheid in melk, de "witte revolutie", in een klap weggevaagd door een stortvloed aan Europese poedermelk.

Zo'n 85 procent van het pluimvee is in bezit van 96 miljoen kleine, landloze landbouwhuishoudens. Die zijn beschermd door een tarief van 100 procent, wat neerkomt op een importverbod. Indiërs eten meer kippenpoten dan borsten, zegt Sengupta, en in Europa is dat andersom, dus in theorie zou handel goed zijn voor beide landen. Maar de Indiase kippen zullen niet de Europese markt op kunnen vanwege de strikte gezondheidseisen.

De Wereldhandelsorganisatie (WTO) stimuleert het verlagen van tarieven, niet het schrappen. Waar de ministeriële vergadering van de WTO deze week in Genève juist wel over praat, is het schrappen van subsidies in de geïndustrialiseerde landen. Sengupta: "Dat staat in scherp contrast met het vrijhandelsakkoord, dat wel het schrappen van tarieven eist maar geen bindende regels heeft voor het schrappen van subsidies."

Retail
Er zijn ook zorgen over de retailsector in India, de belangrijkste werkgever na de landbouw. Het akkoord stelt strenge eisen aan de liberalisering van diensten, veel strenger dan de WTO-afspraken, volgens Sengupta. Nu al hebben kleine winkels het moeilijk als er grote supermarkten worden geopend. Die supermarkten verhogen soms weer de prijzen nadat ze de concurrentie hebben uitgeschakeld. Maar buitenlandse directe investeringen in deze sector zijn tot op heden niet mogelijk.

Carrefour belooft 1,8 miljoen banen te leveren, maar de ngo's die het onderzoek hebben uitgevoerd, vinden dat niet realistisch. Bovendien weegt dat volgens hen niet op tegen de informele banen die verloren gaan, naar schatting tussen de 2,9 en 6,7 miljoen.

"In tegenstelling tot de WTO-akkoorden hoeft het vrijhandelsakkoord niet te worden goedgekeurd door het parlement en worden de deelstaten niet eens geconsulteerd. Het publiek is zich niet bewust van de ernstige gevolgen van het akkoord. Onderhandelingen worden vaak in het geheim gevoerd."

Ook op andere terreinen gaat het vrijhandelsakkoord verder dan de WTO-afspraken. Zo krijgen zaadproducenten veel meer rechten om hun intellectuele eigendom te beschermen, ten koste van boeren. "Het heeft geen zin om mee te doen aan de WTO-onderhandelingen als tegelijkertijd deze vrijhandelsakkoorden worden getekend", zegt Sengupta.


__________________________________________________________



Tanzania: Hadza stam viert overdracht landeigendomsakten
Survival International, 8 november 2011

De Hadza in Oost-Afrika hebben op plechtige wijze de erkenning van hun landrechten gevierd. De eigendomsakten werden vorige maand officieel overhandigd tijdens een speciale ceremonie in de Hadza-gemeenschap van Domongo. De Hadza zijn een van de weinige jager-verzamelaarstammen in Oost-Afrika.

Het is voor het eerst dat een Tanzaniaanse regering formeel de landrechten heeft erkend van een kleine inheemse stam.

Tijdens de plechtigheid hield Doroth Wanzala, de Assistant Commissioner for Land in the Northern Zone, een toespraak: "We hebben besloten dat de Hadza officiële eigendomaktes zullen ontvangen om te voorkomen dat de laatste jager-verzamelaars in ons land worden benadeeld door op land beluste buitenstaanders, vooral nu er een wedloop is losgebarsten om zoveel mogelijk land in bezit te nemen."

Naftali Kitandu die de Hadza vertegenwoordigde, verklaarde: "Invallen van andere stammen die grote kuddes vee meenemen en landbouw introduceren in de vallei vormen een ernstige bedreiging voor de Hadza, die leven van vruchten, wortelen, honing en kleine dieren."

Na afloop van de plechtigheid vertelde een Hadza aan Survival: "We zijn erg blij. De volgende stap is te zorgen dat ook andere Hadza-gemeenschappen eigendomsaktes krijgen."

De Hadza vormen een kleine stam van ongeveer 1500 jager-verzamelaars die leven in het noordwesten van Tanzania. Ze hebben net als de Bosjesmannen in zuidelijk Afrika een kliktaal.

Tot in de jaren '50 van de vorige eeuw leefden de Hadza uitsluitend van het jagen en verzamelen. Ze leefden in kleine eenvoudig verplaatsbare kampementen zonder stamhoofd of enige andere vorm van politieke organisatie. Hun leven is sindsdien steeds zwaarder geworden omdat grotere veehoudende stammen een steeds groter deel van hun grondgebied binnendrongen. Veel van het wild en de planten die de Hadza nodig hebben om te overleven werden hierbij vernietigd.

Een aantal NGO's, zoals het Ujamaa Community Resource Team, hebben de Hadza gesteund bij hun langjarige streven naar landrechten. De advocaat van deze organisatie, Edward ole Lekaita, verklaarde: "Dit is inderdaad een belangrijke prestatie en een echt succesverhaal in de strijd die we hebben gevoerd om te waarborgen dat de Hadza en hun bestaansbronnen in de toekomst worden beschermd."


__________________________________________________________



Meer zelfdodingen dan hervormingen in Indiase landbouw
THIRUVANANTHAPURAM, India , 14 december 2011 (IPS)

Vijf jaar geleden begon Pulparambil Varghese met het verbouwen van gember op zijn lapje grond in Thrikkeppatta, in het district Wayanad in het zuiden van India. Hij leende voor 4400 euro van banken en particuliere financiële instituten, maar slaagde er niet in zijn bedrijf winstgevend te maken en zijn leningen af te betalen. Op 48-jarige leeftijd pleegde Varghese zelfmoord. Hij was een van de zes boeren in Wayanand die zichzelf dit jaar ombracht.

De malaise in de landbouw heeft dit jaar in de staat Kerala alleen in de maand november het leven gekost aan dertien boeren, blijkt uit cijfers van boerenorganisaties. De boeren zagen als gevolg van financiële problemen geen andere uitweg meer.

Crisis
Het hoge aantal zelfdodingen gebeurt in een staat die het landelijk gezien relatief goed doet qua ontwikkeling. Kerala heeft het hoogste aantal geletterde inwoners en goede gezondheidsvoorzieningen. De landbouw kreeg het echter zwaar te verduren tusen 2000 en 2007. Volgens niet-officiële cijfers pleegden tussen 1991 en 2007 meer dan 11.000 boeren in Kerala zelfmoord. Volgens andere schattingen van experts zou het gaan om ongeveer 1800 gevallen. De landbouw staat er in heel India slecht voor en uit diverse staten komen in de laatste vijftien jaar geluiden over boeren die een einde aan hun leven maken.

Bijna 90 procent van de meldingen van zelfmoord kwam tussen 2000 en 2007 uit het district Wayanad. Een groot deel van de bevolking is hier afhankelijk van de landbouw. Het hoge aantal zelfdodingen wordt verklaard uit de sterke prijsdaling van producten zoals koffie, peper en gember en de opmars ziekten die de gewassen aantasten.

De regering in Kerala heeft nu deels erkend dat er opnieuw grote nood heerst onder de boeren in Wayanad. Een team van de overheid dat onderzoek doet naar het stijgende aantal zelfmoorden, noemt de landbouwcrisis "ernstig."

Bananen en gember
Volgens S. Mohanakumar, universitair hoofddocent bij het Instituut voor Ontwikkelingsstudies in Jaipur (Rajasthan), bestaat er een grote kloof tussen het inkomen van de boeren en de kosten ze voor hun bedrijf moeten maken.

"De lage inkomsten uit de producten, stijgende prijzen van kunstmest en hoge rente verstikken de boeren. Er is geen alternatief, dus maken ze extreme keuzes", zegt Mohanakumar.

Ramesh Ramachandran, een accountant uit Dubai die kort geleden stopte met het verbouwen van gember in Pulppaly in het district Wayanad, zegt dat in de afgelopen tien jaar veel boeren overstapten van koffie en peper naar bananen en gember. Dit omdat de prijzen van de eerste twee producten sterk daalden. Maar gember levert momenteel ook te weinig op vanwege de afgenomen marktwaarde.

Rol banken
Op 16 november kondigde de hoofdminister van Kerala, Oommen Chandy, een eenjarig moratorium af op de terugbetaling van leningen door boeren aan overheidsinstanties. De regering gaat ook onderzoek doen naar de rol van kredietinstellingen die lenen aan boeren en de voorwaarden waaronder dit gebeurt.

Satyan Mokeri van de All India Kisan Sabha van de Communistische Partij van India, pleit voor drie maatregelen: financiële steun voor de familie van de boeren die suïcide hebben gepleegd, schuldverlichtingsmaatregelen en het verstrekken van zachte leningen aan boeren.

C.K. Saseendran, leider van de Communistische Partij van India (marxistisch), zegt dat financiële instituten, inclusief coöperatieve banken, weinig feeling hebben met de boeren en weigeren leningen te verstrekken. "Daarom worden ze gedwongen tegen veel hogere rente leningen af te sluiten bij particuliere financiële instituten."


__________________________________________________________


Mexicaanse indianen verdedigen grondgebied tegen veeboeren
MEXICO-STAD 8 december 2011 IPS

De Zoques, een indianenvolk in de Mexicaanse provincie Oaxaca, zetten alles op alles voor het behoud van een bos van 47.000 hectare. Met een blokkade protesteren ze tegen de aanwezigheid van veeboeren en houthakkers uit de naburige provincie Chiapas die delen van het bos ontginnen.

Al een maand lang blokkeren de Zoques een belangrijke toegangsweg tot het gebied. Inwoners van twee nederzettingen van boeren uit Chiapas worden daardoor van de buitenwereld afgesneden.

María García, voorzitster van de Coördinatie ter Verdediging van het Grondgebied en de Grondstoffen in Oost-Oaxaca, een inheemse actiegroep, eist dat de gouverneur van Oaxaca klacht indient bij het hooggerechtshof tegen de oprichting van de gemeente Belisario Domínguez, een van de nederzettingen van boeren uit Chiapas.

García, een Zoque, wil via het gerecht voor eens en voor altijd de grenzen tussen Oaxaca en Chiapas vastleggen. De actievoerders zeggen dat ze de blokkade zullen volhouden zolang het conflict niet opgelost is. "Onze voorouders hebben deze moeder aarde geërfd. Wij moeten haar redden om ze te kunnen doorgeven aan onze kinderen, aan onze kleinkinderen en al degenen die na hen komen", zegt García.
De overheid van Oaxaca mengt zich voorlopig niet in het conflict.

Blokkade
De aanleiding van de blokkade was een conflict in augustus. Boeren uit Chiapas hielden toen een vrachtwagen vol vaten hars tegen die verkocht moesten worden in de stad Oaxaca. Van de opbrengst zou een tiental Zoque-families van de gemeente San Antonio Chimalapa profiteren. Daarop besloten de Zoques de weg af te sluiten die naar twee nederzettingen van boeren uit Chiapas voert.

De inwoners van de nederzetting Gustavo Díaz Ordaz, de andere nederzetting die door de blokkade getroffen wordt, klagen over een tekort aan voedsel en medicijnen. Rodolfo del Pino Velázques, secretaris van het gemeentebestuur van Gustavo Díaz Ordaz, heeft de gouverneur van Oaxaca opgeroepen om de blokkade op te heffen.

De Zoques maken al sinds mensenheugenis aanspraak op een stuk van het woud van Chimalapas. Ze zouden de grond in 1867 voor 25.000 pesos van het Spaanse koloniale bestuur hebben gekocht. Het huidige conflict duurt al meer dan vijftig jaar. De inheemse bevolking verzet zich tegen veeboeren en houthakkers van de naburige provincie Chiapas die zich in het woud van Chimalapas vestigen. In het Zuiden van Mexico leven veel inheemse volkeren.


__________________________________________________________



Wonen aan de rand van de afgrond Occupy Guatemala
DeWereldMorgen.be woensdag 14 december 2011
door frauke decoodt

Helemaal los van de Occupy beweging in Noord-Amerika en Europa, kent ook Guatemala een gelijkaardig fenomeen. De voedingsbodem daarvoor zijn de ontzettend slechte leefomstandigheden in de krottenwijken alsook het manke woonbeleid. Om hun situatie te veranderen, hebben de bewoners een wetsvoorstel gemaakt, de straat voor het parlement bezet en zijn uiteindelijk een hongerstaking begonnen.

Overal in de Westerse wereld worden pleinen bezet nu de crisis en armoede zich ook in dat werelddeel laten voelen. Wat in Noord-Afrika begon, inspireerde algauw actievoerders in verschillende staten van Noord-Amerika en Europa.

Volledig los van die beweging bezetten actievoerders ook in Guatemala Stad al sinds 22 augustus de straat voor het parlement. Hier werden geen knusse huizen opgeofferd voor tenten, de tenten kwamen slechts in de plaats van armzalige krotten. De bewoners van de krottenwijken gaan niet weg tot de "wet voor huisvesting" wordt goedgekeurd. Ze eisen een oplossing voor het woonprobleem in Guatemala.

Het gebrek aan betaalbare woningen dwingt ontelbare Guatemalteken tot leven in de krottenwijken, waar de precaire leefomstandigheden soms dodelijk zijn. Nadat de wet waarvoor ze al jaren strijden voor de zoveelste keer niet goedgekeurd werd, begonnen drie bewoners een hongerstaking op 22 november.

De krotten van Guatemala
Overal in het tentenkamp hangen spandoeken met slogans. De kakikleurige tenten werden ooit aan de krottenwijken geschonken na een natuurramp, de elektriciteit krijgen ze van de school in de straat, de plastieken toiletten werden geschonken door verwante sociale bewegingen. In de gemeenschappelijke ruimte smeult een kolenvuurtje. De aanwezigen, vooral keuvelende vrouwen en spelende kinderen, besteden amper aandacht aan de televisie. "De omstandigheden zijn hier beter dan waar wij wonen" verzekeren ze me.

De actievoerders zijn enkelen van de bewoners van de naar schatting 1.5 miljoen krotten in Guatemala. De krotten vind je overal, in de steden en in het binnenland. Recente en exacte cijfers zijn er niet. Als vertegenwoordiger van de organisatie CONAPAMG strijdt de sympathieke zwaarlijvige Roly Escobar al jaren voor de rechten van arme buurten.

We zoeken een rustig plekje in het tentenkamp. Hij beweert dat er in Guatemala meer dan 800.000 families in krotten wonen in ongeveer 982 krottenwijken. De meeste wijken, een 420-tal, bevinden zich in en rond Guatemala Stad. Volgens experten woont één vijfde tot één derde van de metropool, die 2,5 miljoen inwoners telt, in precaire omstandigheden.

De bewoners noemen hun krotten nederzettingen, dat klinkt beter en laat ruimte voor variatie. Eén persoon of een hele gemeenschap kan land bezetten, een nederzetting kan dus variëren van één woning tot een heuse wijk. "In de nederzettingen wonen alleen arme tot extreem arme mensen die genoodzaakt zijn zich te vestigen op land waarvan ze geen eigenaar zijn", benadrukt Escobar. Vaak is dit ook braakland waar niemand wil wonen, aan de rand van ravijnen, op steile berghellingen en naast of in vuilnisbelten.

"De leefomstandigheden zijn er precair want als men het land bezet, is er niets, geen basisvoorzieningen zoals water en elektriciteit, geen infrastructuur zoals afvoer en steegjes, niets", vertelt Luis Lacán me in zijn nederig advocatenkantoor. Toen hij na een leven op straat in de krottenwijken terecht kwam, werd hij zich snel bewust van de noden en problemen. Hij associeerde zich met de organisatie UNASGUA die zich de situatie aantrekt.

Hoewel Lacán tegenwoordig gekleed gaat in een deftig maatpak is hij nog even bekommerd om de situatie van zijn lotgenoten. Hij legt uit dat het gebrek aan juridische zekerheid impliceert dat men geen voorzieningen kan aansluiten. Daarbij worden de wijken ook niet betrokken in plannen van ruimtelijke en stedelijke ordening, en maken dus geen aanspraak op infrastructuur of raadgeving. Dit kan desastreuze gevolgen hebben voor de veiligheid en gezondheid.

Mettertijd organiseren bewoners zich vaak, sommige wijken verkrijgen elektriciteit en water, enkele krotten lijken al wat meer op huizen, andere meer op kartonnen dozen. Hoe lang een krottenwijk er echter ook is, zonder legalisatie bestaat altijd de vrees dat men ontruimd kan worden.

Overleven in de krottenwijken
"De meeste families in onze wijken wonen in huizen gemaakt uit verroeste golfplaten, karton en plastiek. Sommige families hebben zelfs dat niet", vertelt Brenda, één van de actievoersters voor het parlement, verontwaardigd.

De jonge moeder Julia voegt daaraan toe: "Zonder riolering passeert al het afvoerwater van de omliggende wijken langs onze krotten met hun aarden vloeren. Dit kweekt ziektes en infecties. Onze kinderen worden ziek, soms gaan ze dood, gewoon omdat ze geen deftig huis hebben waarin ze kunnen leven en ziektes overleven. Mijn dochtertje was anderhalf jaar oud toen ze ziek werd en stierf."

Brenda knikt bevestigend: "Gedurende het regenseizoen leven vele mensen in de modder. Het water stroomt hun krotwoningen binnen. Vooral kinderen en bejaarden sterven soms door longontsteking of bronchitis. Onlangs overleed een oudere vrouw in mijn wijk aan bronchitis. Ze leefde in een woning van slechts karton en plastiek, door de orkaan Agatha in 2010. Mijn wijk heeft toen hard afgezien."

Ook ondervoeding drukt een enorme stempel op de gezondheid en ontwikkeling van de bewoners, vooral van kinderen. Volgens cijfers van de Verenigde Naties leeft de helft van de Guatemalteken onder de armoedegrens, en is de helft van de kinderen er ondervoed. Deze cijfers zijn de dagelijkse realiteit van de krottenwijkbewoners.

"We hebben geen geld genoeg om eten te kopen voor onze kinderen. Met de privatiseringen is alles duurder geworden, eten, water, gas, elektriciteit", verklaart Brenda verontwaardigd. Escobar benadrukt dat niet alleen jonge kinderen maar de meeste bewoners ondervoed zijn: "Hoe is dit mogelijk in een land waar zoveel rijkdom is? Zonder werk en inkomen zullen hier mensen sterven van de honger. Het gebeurt al. Onlangs stierven er drie vijftienjarigen door ondervoeding en gebrek aan vitaminen."

Een andere veel voorkomende doodsoorzaak in deze wijken is geweld. De krottenwijken worden vaak enkel geassocieerd met beruchte gewelddadige bendes. Escobar, die zelf een zoon verloor aan het geweld, plaatst dit in zijn context: "Als er geen werk is, geen scholen of andere bezigheden, als ouders geen geld hebben om hun kinderen eten te geven of naar school te sturen, dan krijg je criminaliteit. Jongeren worden een gemakkelijke prooi voor de machtige georganiseerde misdaad. Deze problemen ontstaan niet hier en komen niet enkel hier voor. Geheel Guatemala wordt geteisterd door de drugswereld en geweld."

Vele bewoners zijn hopeloos. Doña Rosa, een oudere hartelijke vrouw die zich even bij Brenda en Julia voegt, kan haar tranen niet meer bedwingen: "Wat gaat er gebeuren als ik ook ga sterven? Misschien zie ik die legalisatie nooit."

Een mank woonbeleid en een groeiend woonprobleem
"Waarom gaan we in krottenwijken aan de rand van de afgrond en op steile berghellingen wonen? Niet omdat we verkiezen zo te leven, maar omdat we zo hopen te overleven. Mensen wonen hier omdat ze geen andere keus hebben, geen leefbare en betaalbare woning. Te veel mensen kunnen nergens wonen", benadrukt Brenda terwijl haar dochtertje van vijf haar afleidt.

Ook het voorbije gewapende conflict, natuurrampen, gebrek aan land en werk in het binnenland, en de bevolkingstoename dwongen vele Guatemalteken naar de stad te migreren en in de krottenwijken te gaan wonen.

Officiële cijfers nemen aan dat er tegen eind 2011 een woontekort van 1.6 miljoen woningen zal zijn, waarvan 15 procent in de metropool Guatemala. "De toenemende vraag overtreft de capaciteit van de staat om het opgelopen woontekort in te halen" oordeelt SEGEPAZ, een staatsinstelling. Experten en bewoners zijn het echter eens dat de staat nooit echt moeite gedaan heeft om sociale woningen te voorzien. De onderzoekinstitutie ASIES besluit dat sinds 1956 het onstabiele woonbeleid gekenmerkt werd door sporadische initiatieven en het ontbreken van efficiënte instituties en beleidsinterventies met als gevolg de accumulatie van een enorm woontekort.

Om deze situatie te verhelpen, werd in 1996 uiteindelijk voor de eerste keer een huisvestingswet goedgekeurd. Slechts ondergebracht in het "Ministerie van Communicatie, Infrastructuur en Woning". werd bovendien een belachelijk laag budget voorbehouden voor het woonbeleid, waarvan corrupte staatsambtenaren, bouwbedrijven en zelfs wijkverantwoordelijken gretig snoepen. Een subsidie aanvragen bleek voorts een enorm lang en bureaucratisch proces te zijn, waarbij de aanvrager een behoorlijke som moest bijleggen, geld dat ze vaak niet hebben. Gezien de omvang van het woonprobleem, was het duidelijk dat deze wet ook geen oplossing was, besluit Lacán.

In de praktijk werd het woonbeleid van de laatste decennia voornamelijk gekenmerkt door cosmetische oplossingen, betoogt Helmer Velásquez in de krant El Periodico "Bewoners moeten eerst een, in principe onbewoonbaar, stuk land bezetten om de aandacht van de autoriteiten te trekken. Na een poosje verkrijgen ze dan "belangrijke" infrastructuur zoals trappen en geasfalteerde wegjes. Vooral tijdens de verkiezingen wordt aan de condities in de krottenwijken en aan legalisatie gedacht". Lacán beaamt dat "alleen tijdens de verkiezingen politici de weg naar de krottenwijken vinden. Dan komen ze met cadeautjes als golfplaten en cement, met beloftes als werk, onderwijs en gezondheidszorg".

Van wetsvoorstel tot hongerstaking
De bewoners en verwante sociale bewegingen begonnen dan maar zelf aan een wetsvoorstel te werken, zich baserend op hun eigen ervaringen, de grondwet, nationale wetten en internationale verdragen van de Verenigde Naties die alle het recht op huisvesting garanderen. Vooral de Universiteit van San Carlos maar ook relevante staatsinstellingen perfectioneerden het voorstel verder, legt Lacán uit: "In 2008 werd het voorgelegd aan het parlement. Ook daar werd het voorstel door parlementaire commissies herwerkt en aanvaard. Sinds dan zit het muurvast. Het wetsvoorstel moet alleen nog maar nagelezen en goedgekeurd worden, in principe een formaliteit."

Nadat het wetsvoorstel voor de zoveelste keer niet goedgekeurd werd, besloten enkele actievoerders de 23ste augustus hun "Krotwoning Parlement" op te richten en voor de deuren te kamperen tot ze gehoord worden. "Zoveel regeringen zijn gekomen en gegaan en niemand heeft ooit rekening met ons gehouden. Nu zijn we hier en we blijven tot ze het wetsvoorstel goedkeuren", bevestigt de oude Doña Rosa strijdlustig.

"De wet waar wij voor strijden, zal de hele Guatemalteekse bevolking ten goede komen", benadrukt Brenda, "we eisen dat ze krotten in leefbare woningen veranderen, dat ze ons land en onze woningen legaliseren zodat we basisvoorzieningen kunnen aansluiten, dat ze woningen voorzien voor de families die het echt nodig hebben." Escobar verwacht eindelijk een sociaal woonbeleid met verantwoordelijke instituties en een apart ministerie. Een goed woonbeleid met als basis een goede wet.

Academici wijzen er echter op dat een wet en legalisatie niet voldoende zijn. Er moet ook aandacht besteed worden aan onderwijs, werk, leefomstandigheden, kortom een ander sociaaleconomisch model, om uit de vicieuze cirkel van armoede te geraken. Zo niet zullen de krottenwijken blijven groeien.

Maar na bijna 4 maanden voor het parlement beginnen de bewoners hun geduld te verliezen. Nadat het wetsvoorstel op 22 november voor de zoveelste keer niet werd goedgekeurd, besloten drie bewoners, waaronder de jonge moeder Julia, een hongerstaking te beginnen.

Zij hopen dat dit drukmiddel helpt en de parlementsleden dit voorstel goedkeuren, anders zullen er niet alleen slachtoffers vallen in de krottenwijken, ver weg van de volksvertegenwoordigers, maar ook voor hun eigen deur.

www.fraukedecoodt.wordpress.com
Roly.conapamg@yahoo.com
conapamg@yahoo.com
www.movimientoguatemaltecodepobladores.blogspot.com
http://www.habitants.org/


__________________________________________________________


"Investering in strijd tegen honger geeft uitzonderlijke opbrengst"
SALVADOR 7 december 2011 IPS

Het plan van José Graziano da Silva om de honger wereldwijd uit te roeien is "tamelijk eenvoudig", zegt hij zelf. De nieuwe baas van de VN-voedselorganisatie FAO wil meer politieke verbintenissen, meer middelen en absolute doelstellingen, zegt hij in een gesprek met IPS.

Agronoom en econoom José Graziano da Silva, de voormalige Braziliaanse minister van Voedselzekerheid, is vanaf januari de nieuwe directeur-generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO).
Tijdens de regering van president Luiz Inácio Lula da Silva (2003-2010) coördineerde hij het voedselprogramma Fome Zero ("Honger op nul"), dat 25 miljoen mensen uit de honger haalde. Die Braziliaanse ervaring leert hem dat hij ook de honger op wereldschaal kan aanpakken.

Uitzonderlijke return
"Mijn idee is tamelijk eenvoudig", zegt hij. "Je moet drie elementen combineren. Ten eerste, de politieke verbintenis van de armste landen om de honger uit te roeien. Ik ga beginnen met een consultatieronde bij landen met een aanhoudende crisis, arme landen die voedsel invoeren, vooral in Afrika en sommige in Azië: ik wil dat ze deze politieke verbintenis aangaan en ook de middelen aanbrengen. Want die landen hebben middelen.

"De ervaring van Brazilië leert dat deze middelen snel worden gerecupereerd. De investering in de strijd tegen de honger geeft een uitzonderlijke return. In Brazilië bedroeg die meteen bijna 25 procent in de vorm van belastingen en de creatie van werkgelegenheid en inkomen via het consumptiecircuit. Met de FAO gaan we die landen helpen met de opmaak van werkbare plannen en het vinden van middelen."

"Ten tweede, de nationale middelen mobiliseren, en daar niet alleen de FAO bij betrekken maar ook het Wereldvoedselprogramma (WFP) en de Internationaal Fonds voor Landbouwontwikkeling (IFAD). En ten derde moeten we verder gaan dan de millenniumdoelstellingen. Na de doelstelling om de honger tot de helft terug te brengen (tegen 2015, nvdr) is het moeilijk om de politiek te mobiliseren. Er moeten absolute doelstellingen komen."

Grote en kleine landbouw
De strijd tegen de agro-industrie zoals die door grote sociale bewegingen als La Vía Campesina wordt gevoerd, vindt hij "verlammend". Er is geen tegenstelling tussen grote en kleine landbouw, zegt hij.
"Jammer genoeg hanteren sommige sectoren van de sociale beweging een visie die zeer schadelijk is voor henzelf en in zekere zin verlammend werkt: ze zien een tegenstelling tussen de familielandbouw en de agro-industrie, alsof dat concurrenten zouden zijn.

"Agro-industrie is veeleer een marketingterm. Het concept ontstond in de Verenigde Staten in de jaren vijftig om in het Congres te lobbyen voor meer landbouwsubsidies. Het omvatte ook de toeleverings- en verwerkingsindustrie, de hele keten van de landbouw- en voedingsmiddelenindustrie.

"In die zin is het een eenheidsconcept. Vandaag is een groot deel van de familielandbouw betrokken in de voedselketen van de agro-industrie. Daar valt niet aan te ontsnappen. Daarom vind ik het voorstel om dit model te bestrijden verlammend. Het heeft veel meer zin voor kleine landbouwers om te strijden voor de ontwikkeling van lokale markten die verse, voedzame voedingsproducten valoriseren en die geen internationale markt hebben."

Biobrandstoffen
De expansie van de teelt van voedingsgewassen voor de productie van biobrandstoffen heeft een negatieve impact op de voedselprijzen en het milieu, zeggen critici. Graziano da Silva pleit voor een genuanceerd debat en herhaalt de woorden van Lula, toen die in 2008 de FAO toesprak: "Biobrandstoffen zijn zeer generiek, er zit van alles onder die paraplu. Het is zoals bij cholesterol: je moet de goede van de slechte scheiden."

"Een biobrandstof die de voedselprijs beïnvloedt, is maïs, omdat het een basisproduct is in veel voedselketens. FAO-studies tonen aan dat maïs een impact heeft omdat het de prijs van andere producten beïnvloedt, zelfs van soja, want die markten zijn met elkaar verbonden.

"Maar biobrandstoffen in het algemeen hebben geen impact op de prijzen. Het suikerriet in Brazilië heeft dat aangetoond. Ten eerste, gaat het om een minimaal aandeel, men gebruikt nauwelijks 3 procent van de grond voor het ethanol. Ten tweede, het suikerrietcircuit in Brazilië concurreert niet met het landbouw- en voedingsmiddelensysteem. Het heeft zijn eigen kanalen.

"Niet iedereen heeft dezelfde hoeveelheid grond en water beschikbaar om biobrandstoffen te produceren. De FAO heeft dit bestudeerd voor de landen in Latijns-Amerika en daaruit blijkt dat vier landen de productie van biobrandstoffen kunnen uitbreiden zonder gevolgen voor de voedselzekerheid: Argentinië, Paraguay, Brazilië en Colombia."


__________________________________________________________


Biobrandstoffen veroorzaken honger en armoede
WASHINGTON 7 december 2011 IPS

Rijke landen helpen slachtoffers van honger en oorlog in Afrika, maar dezelfde landen veroorzaken met hun energie- en ontwikkelingsagenda juist honger en milieuschade in diezelfde landen. Dat zegt het Amerikaanse Oakland Institute in een gisteren verschenen rapport.

Landroof - grotendeels ongereguleerde landdeals waarbij buitenlandse bedrijven en speculanten betrokken zijn - wordt nog steeds als "ontwikkelingsstrategie" voor Afrikaanse landen gepresenteerd. Organisaties zoals Usaid en de Wereldbank zijn vaak de architecten van dergelijke deals. Ze beloven vooruitgang voor de Afrikanen maar die belofte wordt uiteindelijk niet waargemaakt.

Niet duurzaam
Het onderzoek is kritisch over het beleid van de Verenigde Staten en de Europese Unie. "Het energiebeleid van de regeringen in deze landen is, samen met de groeiende westerse markt voor biobrandstoffen, schadelijk voor zowel de mensen als het milieu in Afrika", zegt het Oakland Institute. "Deze manier van 'ontwikkeling' is niet juist en niet duurzaam", zegt Anuradha Mitaal, directeur van het Oakland Institute. "Mensen raken hun land en de mogelijkheid om voedsel te produceren kwijt en de klimaatverandering verergert erdoor."

De geïndustrialiseerde landbouw is momenteel goed voor 13,5 procent alle uitstoot van broeikasgassen. Voor de productie van kunstmest moeten fossiele brandstoffen worden gebruikt, waardoor jaarlijks 41 miljoen ton CO2 in de atmosfeer komt volgens de VN-Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO).

Landbouwmachines zijn jaarlijks goed voor ongeveer 158 miljoen ton CO2 en de fossiele brandstoffen die nodig zijn bij het oppompen van water voor irrigatie brengen nog eens 369 miljoen ton CO2 in de atmosfeer.

Bij de productie van biobrandstoffen worden dezelfde vervuilende technieken gebruikt, terwijl biobrandstoffen tegelijkertijd als een "groene oplossing" worden gepresenteerd.

Kerken
Het Oakland Institute schat dat bij het transformeren van regenwoud en grasland in gebieden waar gewassen voor biobrandstoffen worden verbouwd, 17 tot 420 keer meer CO2 vrijkomt dan de hoeveelheid die minder wordt uitgestoten door fossiele brandstoffen te vervangen door biobrandstoffen. "Door een toename van het gebruik van biobrandstoffen kan er jaarlijks tussen 44 en 73 miljoen ton extra CO2 in de atmosfeer komen."

De Verenigde Staten willen in de komende jaren het gebruik van biobrandstoffen verhogen tot 30 procent, in de Europese Unie is dat 10 procent.

Niet alleen regeringen en bedrijven investeren in land voor biobrandstoffen in Afrika. "We waren geschokt toen we tijdens ons onderzoek ontdekten dat verschillende Scandinavische kerkgenootschappen investeren in landen zoals Mozambique. Het gaat daarbij om projecten waarvoor duizenden hectares grond illegaal zijn verkregen", zegt Frederic Mousseau, beleidsdirecteur van het Oakland Institute. "Dit hadden we verwacht van hedge funds, niet van kerkgemeenschappen."

Koolstofkredieten
De handel in koolstofkredieten speelt ook een rol bij de landroof, zegt Mousseau. "Bij de handel in koolstofkredieten kopen en verkopen regeringen en bedrijven kredieten in het ene deel van de wereld, om in hun eigen land te kunnen blijven vervuilen. Dit is een relatief nieuw fenomeen en we hebben nog geen zicht op alle mogelijke gevolgen van dit systeem. Wel weten we dat er directe negatieve gevolgen zijn als investeerders niet-inheemse gewassen gaan verbouwen. Monocultuur kan een schadelijke invloed hebben op het milieu en de inheemse bevolking verhinderen haar traditionele praktijken, waarbij de biodiversiteit gerespecteerd wordt, te handhaven."

Als voorbeeld noemt het rapport Green Resources Ltd, een Noors houtbedrijf, dat bijna 7000 hectare grasland in Tanzania wil gaan gebruiken voor monocultuur van pijnbomen en eucalyptus. De plaatselijke biodiversiteit zou daardoor kapot gemaakt worden, kleine boeren moeten vertrekken en er gaan banen verloren.

In Sierra Leone, waar het bedrijf Socfin in het district Pujenhun heeft geïnvesteerd, raakten veel mensen werkloos. "Oudere bewoners zijn hun land kwijtgeraakt en hebben geen werk meer en vrouwen moeten nu om half vijf 's ochtends al in de rij staan als ze kans willen maken als dagloner werk te krijgen. En meestal krijgen ze dat niet", zegt Joseph Rahall, directeur van Green Scenery in Sierra Leone.

Plaatselijke bewoners die vreedzaam demonstreerden tegen de illegale bezetting van hun land, werden gearresteerd en kunnen nu een rechtszaak tegemoet zien.


__________________________________________________________


Peruaanse boeren trotseren noodtoestand

LIMA 7 december 2011 IPS

Boeren in het noordelijke Peruaanse departement Cajamarca blijven zich verzetten tegen de uitbreiding van de Yanacochamijn. Ze trotseren de noodtoestand die president Humala maandag heeft afgekondigd.

"Wij, de inwoners van Cajamarca, zijn niet tegen mijnbouw, maar we willen dat ze onze rechten respecteren", zegt Mesías Guevara, congreslid voor Cajamarca. "Ze moeten ons op voorhand consulteren. Ik vermoed dat de inwoners van Cajamarca die voor Humala gestemd hebben, ontgoocheld zijn. De bevolking had niet verwacht dat de president de noodtoestand zou afkondigen. Het is een extreme maatregel die ontevredenheid zal opwekken bij de bevolking."

De noodtoestand werd maandag afgekondigd, duurt zestig dagen en is van kracht in de provincies Cajamarca, Celendín, Hualgayoc en Contumazá, in het zuiden van het departement Cajamarca. De regeling houdt in dat burgerrechten met betrekking tot vrijheid en veiligheid niet langer gelden. Ook de onschendbaarheid van woonst, en de rechten op vrij verkeer en vergadering worden opgeschort. Bovendien wordt het leger ingezet om de politie bij te staan.

Meren
Het Congaproject, zoals het project heet, wordt gesteund door de overheid, maar de lokale bevolking is tegen het project gekant. Ook de regionale overheid steunt het project niet, omdat het vier nabijgelegen meren zou schaden. De arme bevolking leeft van veeteelt en landbouw en is afhankelijk van het water.

Verschillende mensen uit de sociale en economische sector leggen al sinds 24 november het werk neer. De uitbater van de Yanacochamijn schortte het project op 29 november op, maar de machines zijn nog steeds ter plaatse. De bevolking protesteert tegen de aanwezigheid van die machines.

Cajamarca is een van de regio's die de meeste fondsen uit mijnbouwbelastingen ontvangt van de centrale overheid. Gegevens laten zien dat, tussen 2007 en dit jaar, de provincie Encañada in Cajamarca 6 miljoen euro ontving. Anderhalf miljoen euro ging naar Sorochuco en een half miljoen euro naar Huasmín, eveneens provincies in dezelfde regio.

Dat geld heeft nauwelijks verandering teweeggebracht in de situatie van de bevolking. Het laatste rapport van het Nationaal Instituut voor Statistiek toont dat bijna twee derde van de bevolking van Huasmín getroffen wordt door armoede en zelfs drie kwart van de bevolking in Encañada en Sorochuco.

Onderhandelingen
Ollanta Humala kondigde de noodtoestand af nadat onderhandelingen afgesprongen waren. Eerste minister Salomón Lerner onderhandelde zondag tien uur lang met de afgevaardigden van de protestbeweging, maar hij kon geen akkoord sluiten. "We zullen het akkoord ondertekenen op voorwaarde dat Yanacocha haar machines terugtrekt, aangezien hun aanwezigheid een provocatie is voor de boeren", zegt Idelso Hernández, voorzitter van het Verdedigingsfront van Cajamarca. "Maar eerste minister Lerner zei ons dat we Yanacocha niet konden verplichten haar materiaal terug te trekken, en zo liet hij duidelijk zien aan welke kant de overheid staat."

Tijdens zijn verkiezingscampagne voor het presidentschap steunde Humala het protest. Nu besliste hij dat het project uitgevoerd moet worden. Hij argumenteert dat de bevolking zal profiteren van de inkomsten uit de mijnbouwbelastingen.


__________________________________________________________



Mensenrechtenorganisaties richten zich op multinationals
BUENOS AIRES 6 december 2011 IPS

Mensenrechtenorganisaties in Latijns-Amerika richtten hun pijlen vroeger vooral op overheden. Nu pakken ze ook multinationals aan. Hun agenda is ruimer geworden. Ze behandelen thema's als inheemse volkeren, geweld tegen vrouwen, arbeid, migranten en seksuele minderheden.

Mensenrechtenorganisaties in Latijns-Amerika houden zich bezig met sociale en milieukwesties zoals conflicten over de toegang tot grond en grondstoffen die veroorzaakt worden door de mijnbouwindustrie en door de uitbreiding van landbouwgebied ten koste van bossen. De groepen die ze verdedigen bestaan uit inheemse volkeren, vrouwen, arbeiders, migranten en seksuele minderheden.

"Vandaag is het niet enkel de staat die de mensenrechten schendt, maar ook bedrijven en leden van de georganiseerde misdaad", zegt Gastón Chillier, directeur van het Centrum voor Juridische en Sociale Studies (CELS), een Argentijnse ngo.

"De nieuwe thema's komen voort uit de spanning tussen economische vooruitgang en mensenrechten", zegt Chillier. Hij opende gisteren (maandag) de Bijeenkomst van Mensenrechtenactivisten in Latijns-Amerika. Die bijeenkomst vond plaats in de gebouwen van de Universiteit van Buenos Aires (UBA) en bracht zeventig activisten uit veertien landen samen.

Autoritaire regimes
Veel mensenrechtenorganisaties in Latijns-Amerika ontstonden onder de autoritaire regimes van de jaren zeventig en tachtig. Die regimes hebben in elk land duizenden verdwenen, dode, gefolterde en vervolgde burgers op hun geweten. Sommige organisaties werden opgericht door familieleden van slachtoffers, andere door politici of advocaten, maar allemaal klaagden ze de mensenrechtenschendingen door de staat aan. Na verloop van tijd begonnen ze zich ook bezig te houden met politiegeweld en folteringen in de gevangenis.

De laatste jaren houden mensenrechtenorganisaties zich ook bezig met economische en sociale conflicten waar de staat niet noodzakelijk de voornaamste schuldige is.

Rio de Janeiro
De Braziliaanse mensenrechtenorganisatie Justiça Global in Rio de Janeiro hield zich vroeger enkel bezig met geweld door de overheid, gevangenissen en toegang tot justitie. Nu richt ze haar pijlen ook op multinationals die stuwdammen bouwen en mijnen ontginnen. Die projecten schaden vooral de armste en meest kansloze gemeenschappen.

"De ontwikkeling van Brazilië is gebaseerd op gigantische infrastructuurwerken en grote bedrijven, zoals het staalbedrijf Vale, het grootste van de wereld in zijn sector", zegt Andrea Caldas van Justiça Global. Caldas zegt dat de organisatie schendingen van het recht op grond, het recht op gezondheid en het recht op een propere omgeving heeft vastgesteld in twee gemeenschappen van de noordoostelijke provincie Maranhão. Die gemeenschappen zijn omsingeld door vestigingen van Vale die de nabijgelegen waterlopen vervuilen.


__________________________________________________________




"Water verdient meer aandacht in Durban"
DURBAN 6 december 2011 IPS

Het belooft deze eeuw nog een pak heter en droger te worden in Zuidelijk Afrika. Daarom klinkt de roep steeds luider om water bovenaan op de agenda van de klimaatonderhandelingen in Durban te zetten.

Volgens modellen van de Zuid-Afrikaanse Raad voor Wetenschappelijk en Industrieel Onderzoek (CSIR) zal het zuiden van Afrika in de komende vijftig tot honderd jaar warmer en droger worden. Boerderijen, industrie, de watervoorziening van gezinnen en ecosystemen: allemaal lopen ze gevaar. Al bijna honderd miljoen mensen in Zuidelijk Afrika hebben vandaag geen degelijke toegang tot water.

Internationale experts en beleidsmakers zijn bezorgd dat het aspect van watervoorziening onvoldoende aandacht krijgt binnen de VN-klimaatonderhandelingen. "We appreciëren de vooruitgang in andere sectoren, maar als de waterproblematiek niet rechtstreeks wordt aangepakt, zullen al die inspanningen ijdel zijn", verklaart Bai-Mass Taal, secretaris van de Afrikaanse Ministerraad voor Water (AMCOW).

Hoorn van Afrika
Momenteel buigen de klimaatonderhandelaars in Durban zich over water als onderdeel van de bredere strijd tegen de opwarming van de aarde.

"Steeds meer landen zullen naar alle verwachtingen met waterschaarste kampen. Bovendien is het bruto binnenlands product van de armste landen afhankelijk van water. De huidige positie van water binnen de klimaatonderhandelingen is dan ook niet meer verdedigbaar", vindt expert Ania Grobicki, secretaris van het Global Water Partnership (GWP).

Doordat de neerslagpatronen veranderen, krijgt Afrika met grote crisissen af te rekenen. In 2010 leden miljoenen mensen honger in Niger en Mali doordat droogte de landbouw en de veeteelt teisterde. Dit jaar kampte de Hoorn van Afrika met de ergste droogte in vijftig jaar. Ongeveer 12,3 miljoen mensen in de Hoorn hebben dringend hulp nodig, aldus het VN-Voedselprogramma.

Afrikaanse staatshoofden
Rhoda Peace, commissaris voor Rurale Economie en Landbouw bij de Afrikaanse Unie, legt uit dat klimaatverandering voor Afrikaanse leiders onlosmakelijk verbonden is met droogte en overstromingen. "Water is hier al een prioriteit: in 2008 beloofden de Afrikaanse staatshoofden om minstens 0,5 procent van hun begroting aan water te besteden. Sommige landen zijn goed op weg om deze doelstelling te halen."

Maar er zijn miljarden euro's nodig om heel Afrika van water te voorzien. Simon Thuo, de Oost-Afrikaanse coördinator van GWP, is verwonderd dat "ondanks de duidelijke noodzaak zelfs de Afrikaanse onderhandelaars water enkel in de marge vernoemen." Net als andere experts vreest hij dat er onvoldoende aandacht en financiering zou zijn als de klimaatonderhandelingen zich specifiek op waterbeheer toespitsten.


__________________________________________________________


"Braziliaanse boswet is doodsteek voor Amazonegebied"
BRUSSEL 6 december 2011 IPS

De versoepeling van de Braziliaanse boswet betekent de doodsteek voor het Amazonegebied. Dat zegt het Wereldnatuurfonds (WWF). Vandaag moet de Braziliaanse Senaat de wet goedkeuren.

Als de Senaat vandaag het licht op groen zet, dan is 79 miljoen hectare bos bedreigd, de oppervlakte van Duitsland, Oostenrijk en Italië samen, zegt het WWF. Als die bossen verdwijnen, komt er 29 gigaton CO2 extra vrij in de atmosfeer.
De boswet uit 1934 bepaalt per regio hoeveel bos onaangeroerd moet blijven. In de Amazoneregio bijvoorbeeld mag 80 procent niet gekapt worden.

Het parlement wil de boswet versoepelen omdat anders de economische ontwikkeling van Brazilië, vooral in de landbouw, gestremd wordt. Lokale besturen zouden bijvoorbeeld de bevoegdheid krijgen om sommige gebieden te ontbossen, ook in beschermde zones. Voor illegale ontbossing komt er amnestie: illegaal gekapte bossen moeten niet hersteld worden.

Vernietiging van tropische wouden
De Kamer van Afgevaardigden zette het licht al op groen. Nu ligt het voorstel op tafel in de Senaat. Nadien moet het nog naar de president.

"Het zou een enorme stap achteruit zijn in de bescherming van de bossen in Brazilië, met zware gevolgen voor het klimaat", zegt het Wereldnatuurfonds. Volgens de milieuorganisatie leidt een versoepeling van de boswet tot "een drastische vermindering van de beschermde zones en laat het toe dat illegaal ontboste gebieden niet hersteld worden." De nieuwe wet zet de deur wagenwijd open "voor landbouw en veeteelt op grote schaal, de belangrijkste oorzaken van de vernietiging van tropische wouden in de regio."

Veto van Rousseff
Het WWF lanceert binnenkort een onlinecampagne om president Dilma Rousseff onder druk te zetten. De organisatie vraagt dat Rousseff haar veto uitspreekt tegen de versoepeling van de wet of er die delen uit schrapt die het Amazonegebied bedreigen.
Volgens een opiniepeiling in juni willen acht op tien Brazilianen dat president Rousseff haar veto stelt tegen de nieuwe boswet. Evenveel Brazilianen zeggen dat ze niet meer op politici zouden stemmen die de boswet hebben goedgekeurd. De peiling was uitgevoerd op vraag van milieuorganisaties als de Braziliaanse afdeling van het Wereldnatuurfonds.


__________________________________________________________


Brazilië pleit voor duurzaamheidsdoelstellingen
RIO DE JANEIRO 5 december 2011 IPS

Na de millenniumdoelstellingen moeten er nu ook doelstellingen voor duurzame ontwikkeling komen, vindt Brazilië. Het wil hierover een akkoord bereiken volgend jaar op Rio+20, de duurzaamheidstop in Rio de Janeiro.

Brazilië wil wereldwijde doelstellingen voor duurzame socio-economische ontwikkeling formuleren. De doelstellingen zouden lopen van 2015 tot 2030 en zouden te vergelijken zijn met de millenniumdoelstellingen. Die doelstellingen lopen van 2000 tot 2015 en namen als ijkpunt de situatie van 1990. Het verschil tussen beide doelstellingen is dat de industrielanden al voldeden aan de millenniumdoelstellingen. De duurzaamheidsdoelstellingen zouden een uitdaging moeten worden voor alle landen.

"Het idee is om grote doelstellingen te lanceren die landen kunnen mobiliseren, zoals ook de millenniumdoelstellingen deden", zegt Claudia Maciel, coördinator duurzame ontwikkeling van het Braziliaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. "Het gaat bijvoorbeeld om de strijd tegen de armoede, maar rekening houdend met een duurzame benadering van het milieu."

Consensus
"We gaan proberen dit debat te stimuleren op de conferentie", zegt Maciel. "We zetten in op deze kans om de verschillende landen en de agentschappen van de Verenigde Naties (VN) op één lijn te krijgen. De bedoeling is niet een conflict te veroorzaken met de millenniumdoelstellingen, maar die doelstellingen aan te vullen."

Voor Maciel is het absoluut noodzakelijk een consensus te bereiken op de conferentie. Het bestaande ontwikkelingsmodel brengt ernstige problemen met zich mee. De wereld moet zich scharen achter oplossingen die deze problemen kunnen aanpakken. "De crisis vraagt om verandering. Het is nodig over een nieuw model te discussiëren. De voorstellen zijn nog erg algemeen en moeten uitgewerkt worden."

Ook het Belgische document voor Rio+20, dat opgesteld werd door de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO), spreekt van zulke duurzaamheidsdoelstellingen.

Zeshonderd voorstellen
De nationale commissie die de Braziliaanse voorstellen voor Rio+20 moest opstellen, werd opgericht in juni en groepeerde zeventig afgevaardigden van de overheid en het middenveld. Net als zeventig andere landen en ngo's bracht Brazilië zijn voorstellen binnen bij de VN. Op de top in juni 2012 zal een zeshonderdtal voorstellen besproken worden.

Ondanks de consultatie van het middenveld, worden niet alle discussiepunten behandeld in het Braziliaanse document. "Het document weerspiegelt een consensus, en de nucleaire kwestie haalde het niet", zegt Maciel. Ook de problematiek van de klimaatvluchtelingen komt niet aan bod.


__________________________________________________________



Hernieuwbare energie helpt tegen opwarming en armoede
BRUSSEL 30 november 2011 IPS

Schone energie is niet alleen goed voor het milieu, vaak is het ook de enige oplossing om arme mensen van licht en stroom te voorzien. Het Barefoot College, een Indiase niet-gouvernementele organisatie, heeft bijvoorbeeld al wereldwijd meer dan 34.000 huizen in afgelegen dorpen van lampen op zonne-energie voorzien.

Het Barefoot College besteedt de fabricatie, installatie, het gebruik en het onderhoud van de technologie uit aan de lokale bevolking, vaak ongeletterde mensen. De organisatie leidt in elke gemeenschap verantwoordelijken op, die ze zonne-ingenieurs noemt. Het vandaag gepubliceerde Technologie- en Innovatierapport 2011 van de Conferentie over Handel en Ontwikkeling van de Verenigde Naties (Unctad) haalt het Barefoot College aan als een voorbeeld van de bestrijding van energiearmoede door middel van hernieuwbare energie.

Het Barefoot College is actief in zestien provincies in India en in zeventien landen verspreid over Afrika, Azië en Zuid-Amerika. In India voorzag de organisatie al 15.027 huizen en 483 scholen in 684 dorpen van verlichting. India telt al 383 zonne-ingenieurs. Wereldwijd gaat het om 34.500 huizen in 1014 dorpen. Zo wordt 4,6 miljoen liter kerosine per jaar bespaard.

Iedere familie die gebruik wil maken van de technologie, moet elke maand een haalbare bijdrage betalen. Zo creëert de organisatie een verantwoordelijkheidsgevoel bij de lokale bevolking. Het bedrag wordt berekend aan de hand van de kosten die de familie normaal maakt voor kerosine, kaarsen, batterijen voor zaklantaarns en hout.

Energiearmoede
Volgens schattingen van het Internationaal Energieagentschap (IEA) hadden in 2010 nog 1,4 miljard mensen geen toegang tot elektriciteit. Ongeveer 85 procent daarvan leeft op het platteland. Hernieuwbare technologieën als zonnepompen, fotovoltaïsche cellen, kleine wind- en waterenergiecentrales en kleine biomassanetwerken bieden daar vaak een oplossing. Het is immers te duur om al die afgelegen gebieden aan te sluiten op de conventionele stroomnetten.

Een project dat bewijst dat energiearmoede bestrijden door middel van hernieuwbare energie ook op grote schaal mogelijk is, is Afrika Verlichten. Afrika Verlichten is een project van de Wereldbank en de Internationale Financieringscorporatie (IFC). Het project introduceert goedkope verlichting op zonne-energie in de landen ten zuiden van de Sahara. Tot nu toe zijn meer dan 190.000 draagbare lampen verkocht, waardoor 950.000 mensen beschikken over schonere, veiligere en betere verlichting. Er zijn acht verschillende producten op de markt die de nodige kwaliteitstests doorstaan hebben. De kostprijs varieert van 16 tot 72 euro. Afrika Verlichten wil tegen 2012 2,5 miljoen mensen voorzien van verlichting op zonne-energie. Tegen 2030 moeten dat 250 miljoen mensen zijn.

De landen ten zuiden van de Sahara tellen het grootste aandeel inwoners zonder elektriciteit. 69,5 procent van de bevolking is niet aangesloten op het stroomnet. Op het platteland beschikt zelfs maar 14 procent van de bevolking beschikt over elektriciteit. In absolute cijfers is Zuid-Azië koploper. Van de plattelandsbevolking beschikt daar zowat de helft niet over elektriciteit.


__________________________________________________________


Afrikaanse landen kicken af van hulp
BUSAN 30 november 2011 IPS

De allerarmste landen in de wereld zijn nu gemiddeld een derde minder afhankelijk van ontwikkelingshulp dan tien jaar geleden. Dat bewijst dat die hulp wel degelijk werkt, zeggen experts.

Veel straatarme landen moeten nog altijd een groot deel van hun gezondheidszorg, onderwijs en zelfs huizenbouw en industriële ontwikkeling financieren met internationale hulp. Maar de afhankelijkheid van die overzeese bijstand neemt af onder de 54 Minst Ontwikkelde Landen', zegt Lucia Fry van ActionAid UK, een Britse hulporganisatie. "Dat is te danken aan goede ontwikkelingshulp: hulp die ongelijkheden en armoede wegwerkt door arme mannen en vrouwen te emanciperen en hulp die goed bestuur, functionerende belastingsystemen en economische ontwikkeling in de hand werkt."

Lichtende voorbeelden
Rwanda is een spectaculair voorbeeld van een land dat zijn ontwikkeling steeds meer zelf kan financieren. Na de genocide van 1994, waarbij volgens een schatting van de VN 800.000 mensen omkwamen, zat het kleine land helemaal aan de grond. Het kon gelukkig op veel hulp rekenen voor de heropbouw, en die inspanningen loonden. "ActionAid schat dat in 2000 nog 85 procent van het geld dat de Rwandese regering uitgaf aan de nationale ontwikkelingsprioriteiten afkomstig was van donorlanden", zegt Fry. "Dat aandeel was in 2010 teruggelopen tot 45 procent."

Rwanda is op sommige vakken een modelland geworden in Afrika. De moedersterfte is er volgens de VN bijvoorbeeld gedaald van 750 sterfgevallen per 100.000 geboorten in 2005 tot 540 in 2008; de Rwandese overheid zegt dat het cijfer intussen verder teruggelopen is tot 383 sterfgevallen per 100.000 geboorten.

Andere lichtende voorbeelden zijn Ghana, dat zijn afhankelijkheid van donorgeld tussen 2000 en 2010 verminderde van 47 procent tot 27 procent en op weg is een middeninkomensland te worden, en het veel armere Mozambique, dat elf jaar geleden nog bijna drie kwart van zijn ontwikkelingsuitgaven met buitenlandse hulp moest financieren, en dat aandeel tegen 2010 kon terugschroeven tot 58 procent.

Meer belastingen
Veel ontwikkelingslanden halen nu meer geld op in eigen land door hun natuurlijke rijkdommen beter aan te spreken, legt Bodo Ellmers uit, een medewerker van het Europese Netwerk over Schuld en Ontwikkeling. Afrika heeft grote olievoorraden en veel vruchtbare grond die voor de landbouw kan worden ingezet.

Ook de private investeringen nemen toe. "De internationale crisis doet veel buitenlandse investeerders naar Afrika uitwijken, op zoek naar nieuwe kansen. Dat betekent meer werkgelegenheid en meer inkomsten voor Afrikaanse regeringen." Ook landen als Brazilië en China zwengelen met hulp en leningen de ontwikkeling in Afrika aan.

Afrikaanse landen moeten nu vooral werk maken van betere belastingsystemen, oordeelt Ellmers. Belastingen zijn een duurzame bron van inkomsten die ontwikkelingsprojecten draaiend kunnen houden. Bedenkelijker lijkt Ellmers de nieuwe afhankelijkheid van veel Afrikaanse landen tegenover China. De terugbetaling van de leningen die China verstrekt, kan sommige landen in de problemen brengen.

Minimale sociale uitgaven
Problematisch is intussen ook dat nogal wat Afrikaanse landen eigenlijk veel meer zouden moeten uitgeven voor sociale ontwikkeling. De gebrekkige gezondheidszorg leidt er bijvoorbeeld toe dat in Afrika elk jaar nog 250.000 jonge moeders sterven.

Volgens de hulporganisatie Save the Children besteden maar zes van de 53 lidstaten van de Afrikaanse Unie minstens 15 procent van hun budget aan gezondheidszorg, een norm die de Unie in 2001 vastlegde. Naast Rwanda behoren ook Botswana, Niger, Malawi, Zambia en Burkina Faso tot de goede leerlingen. Maar een land als Kenia haalt amper 5 procent.



__________________________________________________________


"Ontwikkelingshulp is voorbijgestreefde term"
LONDEN 23 november 2011 IPS

Kan de hulp die ontwikkelingslanden van de rijke landen krijgen doeltreffender worden gemaakt? Dat is de vraag waarover regeringen en ontwikkelingsexperts het vanaf volgende week hebben in het Zuid-Koreaanse Busan. "Laten we om te beginnen stoppen met het over hulp te hebben", zegt expert Brian Atwood.

Op de driedaagse topbijeenkomst die op 29 november in Busan begint, worden de secretaris-generaal van de VN, een half dozijn staats- en regeringsleiders, 140 ministers en honderden vertegenwoordigers van hulporganisaties en bedrijven verwacht. Ze zetten een dialoog voort over de effectiviteit van ontwikkelingshulp die al ruim tien jaar wordt gevoerd, met belangrijke eerdere bijeenkomsten in Parijs en Accra.

Samenwerking in plaats van hulp
In Busan zal het accent meer liggen op samenwerking dan op hulp, hoopt Atwood , de voorzitter van het Comité voor Ontwikkelingshulp van Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De OESO brengt alle industrielanden samen, aangevuld met sommige opkomende economieën als Mexico, Zuid-Korea en Chili. Samen zijn ze goed voor het leeuwendeel van alle officiële ontwikkelingshulp.

Atwood maakt zich sterk dat de bijeenkomst in Zuid-Korea veel kan opleveren, ondanks de economische crisis die veel landen hun budgetten doet inkrimpen. "In het beste geval slagen we erin de wereldwijde samenwerking en de plaatselijke coördinatie ervan te verbeteren, de afspraken die we in Parijs en Accra hebben gemaakt te bevestigen en het engagement van de ontwikkelingsgemeenschap voor de millenniumdoelstellingen te vernieuwen."

"In het slechtste geval wordt Busan een rondje van schuldigen aanwijzen. Maar voorlopig wijst niets erop dat dit zal gebeuren."

Veel aandacht
Volgens Atwood is er op het allerhoogste beleidsniveau nooit meer aandacht geweest voor de nood om de ontwikkeling in arme landen aan te zwengelen. Op de G20 en de G8, twee fora waar de sterkste economieën van de wereld met elkaar overleggen, staat het thema hoog op de agenda. "En de aandacht die Busan krijgt in vergelijking met Parijs en Accra is fenomenaal."

Die belangstelling zou kunnen wijzen op het voornemen van donorlanden om ontwikkelingshulp weer directer te gaan inzetten om hun eigen belangen te dienen. Nederland stelt bijvoorbeeld onomwonden dat zijn hulp ook ten goede moet komen aan het eigen bedrijfsleven. Zou gebonden hulp, waarbij ontvangende landen verplicht worden goederen en diensten in het donorland aan te kopen, aan een comeback toe zijn? Atwood denkt van niet. "Ongeveer 80 procent van de gebonden hulp is weggewerkt, en ik zie geen pogingen om de klok terug te draaien. De laatste 20 procent is het moeilijkst, maar ik geloof dat we vooruitgang zullen blijven boeken."

Eigenbelang
Atwood zegt dat hij zich ook niet veel zorgen maakt dat landen zich meer zullen laten leiden door eigenbelang en kortetermijnwinst. "We hebben er belang bij om mensen uit de armoede te halen. Dat is een langetermijnopgave en het veronderstelt dus een verlichte visie. Ondanks de economische druk die nu op ons weegt, hebben we ons die visie eigen gemaakt. Ik geloof dat Busan dat zal aantonen."

"Sommige politici in West-Europa en Noord-Amerika pleiten voor besparingen op ontwikkelingssamenwerking, maar ik geloof dat ze in de minderheid zijn. De hulpprogramma's maken maar een klein deel uit van de begroting; met besparingen is er weinig te winnen en veel te verliezen."

De deelnemers aan de bijeenkomst in Busan zullen evalueren hoe de afspraken van Parijs en Accra de voorbije jaren zijn uitgevoerd. Donorlanden zegden er onder meer toe dat ze de ontvangende landen zouden toestaan meer zelf de leiding te nemen over hun ontwikkeling, terwijl ze zelf meer zouden aansluiten bij de nationale ontwikkelingsstrategieën en de prioriteiten van ontwikkelingslanden. Donorlanden hebben zich er ook toe verplicht hun activiteiten onderling beter te coördineren. Ten slotte zouden zowel donorlanden als ontvangende landen meer verantwoording gaan afleggen over hun beslissingen en de resultaten van ontwikkelingsinspanningen beter gaan meten.

In Busan zal ook over de opkomst van nieuwe donorlanden en over de toenemende rol van het bedrijfsleven worden gesproken. Door de economische crisis zijn de verwachtingen bij veel experts niet al te hoog gespannen.



__________________________________________________________


Vis blijkt droompartner voor rijstvelden
BRUSSEL , 17 november 2011 (IPS)

Als rijstboeren ook vis kweken in hun ondergelopen rijstvelden, daalt het gebruik van pesticiden en mest drastisch. Tegelijk verhogen de boeren hun inkomen en diversifiëren ze hun productie, blijkt uit Chinees onderzoek.

Chinese wetenschappers deden zes jaar lang onderzoek naar het gebruik van vis in rijstvelden en publiceerden de resultaten in Proceedings of the National Academy of Science.

De boeren die deelnamen aan de studie van de Zhejiang Universiteit kweekten tussen hun rijstplanten een lokale karpervariant die als delicatesse wordt beschouwd en dus verkocht kan worden. Daadoor verhogen ze niet alleen hun inkomen, maar diversifiëren ze ook hun aanbod op de markt.

Boer en milieu
Maar dat is lang niet het enige voordeel: de vis leeft van het onkruid tussen de rijst en vermindert het risico op plagen. Daardoor kunnen de boeren het pesticidengebruik met maar liefst 68 procent verminderen. Omdat de vis ook het stikstofgehalte in het ecosysteem reguleert, is 24 procent minder bemesting nodig, en kan bovendien stikstofarme mest gebruikt worden.

Dat is niet alleen goed nieuws voor de boeren, die 60 tot 70 procent van hun totale budget spenderen aan mest en pesticiden, maar ook voor het milieu. De onderzoekers wijzen er op dat de techniek vooral het verschil kan maken in regio's met waterschaarste, omdat het water voor twee doeleinden kan worden gebruikt. Ze maken zich sterk dat de techniek het mogelijk maakt voor boeren in tropische regio's om hun inkomsten te verdubbelen.





__________________________________________________________


Arm Bangladesh koopt grond in buitenland
BRUSSEL, 16 november 2011 (IPS)

Bangladesh behoort tot de armste landen ter wereld, en toch probeert de regering in Dhaka in andere landen goede landbouwgrond te kopen of te leasen. Dat komt op termijn goedkoper uit dan voedsel invoeren, is de redenering.

In een interview met Irin, een nieuwssite van de Verenigde Naties, geeft de Bengalese minister van Voedsel en Rampenbeheer Muhammad Abdur Razzaque toe dat zijn medewerkers voorbereidende gesprekken voeren met Oekraïne en Cambodja en ook bezoeken brengen aan Afrikaanse landen om daar mogelijkheden te onderzoeken.

In Oekraïne zou Bangladesh tarwe willen produceren, in Cambodja rijst. De regering van Bangladesh wil zowel zelf grond kopen of leasen als Bengalese ondernemingen helpen dat te doen.

Het is een manier om de voedselzekerheid in Bangladesh te verbeteren, legt Razzaque uit. Bangladesh telt 160 miljoen inwoners en heeft volgens de Wereldbank maar 54 hectare landbouwgrond per duizend inwoners, een van de laagste cijfers ter wereld. Door de bevolkingsaangroei slinkt dat landbouwareaal bovendien met ongeveer 1 procent per jaar, terwijl er niet veel winst meer te boeken valt door een intensiever gebruik van de beschikbare akkers.

Problematische transacties
Tot hiertoe zijn het vooral regeringen en bedrijven uit Westerse landen, het Midden-Oosten en China die in het nieuws kwamen door de aankoop van grote lappen grond in Afrika of in andere ontwikkelingslanden.

Veel van die transacties zijn problematisch. Officieel gaat het altijd om grond die "niet gebruikt wordt", maar in werkelijkheid leven er vaak mensen die er al generaties lang voedsel oogsten of vee telen maar geen eigendomsbewijzen hebben. Als de buitenlandse eigenaars dan ook nog eens eigen arbeiders invoeren, veroorzaakt dat nog meer wrevel. Bangladesh kan moeilijk aan die verleiding weerstaan, want in eigen land kan het onmogelijk werk bieden aan zijn enorme actieve bevolking.

Sommige experts schuiven contractlandbouw naar voren als alternatief. Daarbij koopt een land in het buitenland grote hoeveelheden voedsel aan tegen vooraf afgesproken prijzen. Dat sluit alvast de risico's van een grillige prijsontwikkeling uit, een andere reden waarom Bangladesh op zoek is naar landbouwgrond in het buitenland.

De voedselzekerheid in Bangladesh is de voorbije twintig jaar verbeterd, maar toch blijft de toestand volgens de Global Hunger Index "alarmerend". Volgens de regering zijn er in Bangladesh nog altijd twee miljoen kinderen jonger dan vijf ernstig ondervoed.



__________________________________________________________


"Shell moet één miljard dollar betalen om de Nigerdelta schoon te maken"
DeWereldMorgen.be woensdag 16 november 2011
door Lore Van Welden

Het multinationale olieconcern Shell moet om te beginnen één miljard dollar betalen om de vervuiling op te ruimen in de Nigerdelta die veroorzaakt werd door olielekken. Dit zeggen Amnesty International en het CEHRD in een rapport dat vorige week verscheen. Het rapport beschrijft gedetailleerd de verwoestende impact van twee immense olielekken in Bodo in Ogoniland in 2008.

De twee lekken in 2008 zijn veroorzaakt door mankementen en slijtage van de pijpleidingen. Onlangs heeft Shell de verantwoordelijkheid voor de lekken aanvaard. Het bedrijf wachtte echter wekenlang om beide lekken te dichten. Duizenden vaten ruwe olie vervuilden het land en het water in en rond Bodo, een stad met ongeveer 69.000 inwoners in de Nigeriaanse Nigerdelta. De vervuiling werd drie jaar na datum nog steeds niet opgeruimd.

De impact van beide lekken op de lokale gemeenschap is immens. Fundamentele rechten zoals het recht op een adequate levensstandaard, het recht op water en het recht op gezondheidszorg worden flagrant geschonden. De lokale bevolking is grotendeels afhankelijk van de visserij en de landbouw.

Sinds de lekken zijn er bijna geen vissen meer en groeien de gewassen zeer slecht. Er zijn maar weinig alternatieve jobs in de regio en jonge mensen zijn verplicht om elders werk te gaan zoeken. Bovendien kampen velen met ernstige gezondheidsproblemen.

Shell beweert dat het inspanningen doet in Bodo, maar daarbij gehinderd wordt door allerlei vormen van sabotage. Dit argument trekken Amnesty International en het Centre for Environment, Human Rights and Development (CEHRD) ernstig in twijfel. Sabotage en illegale aftapping zijn een ernstig probleem in de Nigerdelta dat moet worden aangepakt, maar Shell gebruikt sabotage te makkelijk als excuus. De twee lekken in 2008 zijn veroorzaakt door defecten aan de pijpleidingen, niet door sabotage. Dat heeft Shell trouwens zelf erkend.

Bovendien staat duidelijk in de Nigeriaanse wetgeving dat een oliebedrijf élk lek moet herstellen en de gevolgen ervan moet opruimen, ongeacht de oorzaak van het lek. Amnesty en het CEHRD vragen Shell om onmiddellijk te starten met de opruiming van de vervuilde olie in Bodo.

Ook de Nigeriaanse overheid moet orde op zaken stellen en de activiteiten van oliebedrijven beter controleren. De wetgeving moet waar nodig aangepast worden en vooral beter uitgevoerd worden. Momenteel zijn oliebedrijven vrij te doen en te laten wat ze willen. Ze blijven ongestraft als ze de regelgeving niet naleven.

Een recent rapport van de Verenigde Naties concludeerde dat Ogoniland meer dan 25 jaar zal nodig hebben om te herstellen van de decennialange olievervuiling. Het VN-rapport riep op om een fonds op te richten dat de schoonmaak moet bekostigen. Amnesty International en het CEHRD vragen aan Shell om alvast één miljard dollar in het fonds te storten.

Lore Van Welden
Lore Van Welden is mediaverantwoordelijke bij Amnesty International Vlaanderen vzw.



__________________________________________________________



Eilanden Stille Oceaan kijken uit naar klimaathulp
16 november 2011 door IPS , Rousbeh Legatis

NEW YORK - Nergens wordt zo uitgekeken naar positieve resultaten van de komende klimaattop in Durban als op de eilanden in de Stille Oceaan. De stijgende zeespiegel dwingt er nu al mensen te verhuizen.

Op verscheidene van de bijna duizend bewoonde eilanden in de Stille Oceaan is de klimaatverandering al harde realiteit. Op de Carteret-eilanden, een eilandengroep die 86 kilometer voor de kust van Bougainville ligt, het grootste eiland van Papoea-Nieuw-Guinea, is de uittocht al begonnen. De eilanden, die gemiddeld maar iets meer dan een meter boven het zeeniveau liggen, worden ontruimd omdat overleven er onmogelijk begint te worden. Van de 2700 gezinnen die op de eilanden leven, zijn er inmiddels al twee hervestigd op de Marau-eilanden, die ook tot Papoea-Nieuw-Guinea behoren. De verhuizing van nog eens acht gezinnen is al gepland.

"We hebben geregeld af te rekenen met springtij, en die golven vreten onze kusten weg", zegt Ursula Rakova, een lid van de Raad van Ouderen van de eilanden. Een belangrijk deel van het landbouwareaal op de eilanden is al verloren gegaan. "Het wordt steeds moeilijker om voedselgewassen te telen", zegt Rakova. "Maar onze grootste zorg is dat er op een dag een extra hoge springvloed komt die alle inwoners wegveegt, zonder een spoor na te laten."

Hulp blijft uit
De hervestiging van de inwoners van de Carteret-eilanden maakt deel uit van een plan dat vier jaar geleden door de Raad van Ouderen werd uitgewerkt. Er is internationale steun voor, maar Rakova is ontevreden over de bijstand die ze van haar eigen regering krijgt. "De regering reageert heel traag en kiest niet de juiste prioriteiten. De regering van Papoea-Nieuw-Guinea stelde in 2007 2 miljoen kina (toen ongeveer 521.000 euro) ter beschikking voor de bouw van nieuwe huizen op veiligere plaatsen, maar het regionale bestuur in Bougainville heeft ons daarvan nog niets overgemaakt."

Op andere eilanden kan de toenemende droogte de bewoners nog sneller wegjagen dan het stijgende water. Tokelau, Tuvalu en de Cook-eilanden lijden nu al zwaar onder de droogte. Op Tuvalu is een groot deel van het grondwater vervuild of erg zout. Als het minder gaat regenen of er door de stijging van de zeespiegel nog meer zout in het grondwater terechtkomt, zal er steeds minder bruikbaar water beschikbaar zijn. Dat kan ook snel tot sociale spanningen leiden.

Spanningen zijn er ook op Samoa, waar de kustlijn op sommige plaatsen al tot 80 meter is teruggeweken. Kustbewoners trekken naar het binnenland en veroorzaken er steeds meer landconflicten.

Water aan de lippen
Ook de veranderende weerpatronen maken het de boeren op eilanden lastig, zegt Peniamina Leavai van het Pacific Adaptation to Climate Change Project (PACC), een regionaal initiatief om de bevolking op de eilanden te helpen zich aan te passen aan de klimaatverandering. Sommige eilanden kregen onlangs te maken met droogte terwijl eigenlijk de regentijd had moeten beginnen. "Varkens begonnen de bananenplanten aan te vreten voor het water in de stammen, wallaby's en pythons gingen in de dorpen op zoek naar eten en water en mensen stalen gewassen uit de tuinen van hun buren."

Beleidsmakers in de Stille Oceaan hebben het gevoel dat het water hen aan de lippen staat. "De stijging van de zeespiegel gaat nu in millimeters, maar dat worden centimeters en er is een onweerlegbaar risico dat het zeepeil op termijn een meter of meer zal stijgen", verklaarde John Silk, minister van Buitenlandse Zaken van de Marshalleilanden in mei tijdens een conferentie in New York.

Onbetaalbare oplossingen
Oplossingen om de inwoners van de eilanden in de Stille Oceaan beter te beschermen tegen dat onheil zijn er, maar voorlopig ontbreekt het aan de nodige internationale steun ervoor. Mensen uit bedreigde gebieden kunnen hervestigd worden op andere eilanden, landinwaarts of zelfs in andere landen. De eilanden kunnen dijken bouwen, nieuwe huizen die beter bestand zijn tegen stormen en overstromingen en meer en betere waterreservoirs aanleggen. Het herstel van koraalriffen en mangrovewouden kan een natuurlijke verdedigingsgordel optrekken rond kwetsbare eilanden. Beleidsmakers kunnen opleidingen krijgen om nieuwe oplossingen te leren kennen en de beschikbare middelen efficiënter in te zetten.

"Er is een breed gamma aan opties", zegt Leavai van het Pacific Adaptation to Climate Change Project. "Sommige zijn duur, andere goedkoper, maar veel ideeën kunnen niet meteen in de praktijk worden gebracht omdat de mensen in de regio er niet de middelen en de capaciteit voor hebben."

Op de klimaatconferentie die eind deze maand in het Zuid-Afrikaanse Durban begint, wordt onder meer gekeken hoe arme landen beter kunnen geholpen worden zich aan te passen aan de klimaatverandering. De vooruitzichten zijn niet schitterend. Op de klimaattop van 2009 in Kopenhagen zegden de rijke landen 30 miljard dollar (22 miljard euro) toe om arme landen in 2010, 2011 en 2012 te helpen de meest dringende maatregelen te treffen, maar volgens het Britse klimaatinitiatief CDKN is daarvan nog geen tiende overgemaakt



__________________________________________________________



"Rol opkomende landen beperkt bij ontwikkelingshulp"
WASHINGTON , 13 november 2011 (IPS)

Experts hopen dat opkomende economieën zoals Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika (de BRICS-landen) een belangrijke rol gaan spelen in ontwikkelingshulp. Deze landen zijn daar echter nog niet toe in staat, zeggen critici.

Van 29 november tot 2 december komen tweeduizend experts en afgevaardigden van overheden in Busan in Zuid-Korea bijeen voor het vierde High Level Forum on Aid Effectiveness.

De rijke landen, die traditioneel de ontwikkelingshulp domineren, bezuinigen op hun budgetten als gevolg van de economische crisis. De in het verleden gemaakte afspraken staan echter nog steeds, en het is de vraag wie ze nakomt.

De inbreng van de BRICS-landen was tot nu toe beperkt. Dat blijkt uit het feit dat deze landen in de afgelopen tien jaar 26 miljard dollar aan leningen aan lageinkomenslanden beloofden. De traditionele donoren van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zegden in diezelfde periode 269 miljard dollar toe.

Daarnaast vrezen waarnemers dat de Zuid-Zuid-partnerschappen grotendeels hetzelfde "uitbuitende" karakter hebben als de traditionele relaties tussen rijke landen en ontwikkelingslanden.

Zwakke instituten
Volgens ontwikkelingseconoom Jayati Ghosh, veranderen "groepen" zoals BRICS de handels- en investeringspatronen niet zozeer, ze weerspiegelen die eerder. "We hebben kunnen zien hoe multinationals opkomen in het Zuiden. Deze bedrijven bevestigen eerder de universele tendens van het kapitaal dan dat ze op grond van hun locatie een verschil maken."

"Anderzijds is het ook zo dat kapitaal zwaar leunt op overheidssteun en dat landen - ook in het Zuiden - zich, ondanks de toenemende onafhankelijkheid en transnationaliteit van kapitaal, inspannen voor kapitaal dat uit hun eigen land afkomstig is", zegt ze.

In een recent werkdocument van Nkunde Mwase, econoom bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF), wordt ingegaan op de toegenomen financiering van ontwikkeling in lage inkomenslanden door BRICS-landen. De BRICS-landen lenen volgens Mwase meer aan lage inkomenslanden met zwakkere instituten. Landen die geografisch gezien ongunstig liggen en weinig natuurlijke rijkdommen hebben, krijgen aanzienlijk minder financiering dan de lage inkomenslanden met veel natuurlijke rijkdommen.

Niet-duurzaam
Veel leningen zijn in de afgelopen jaren verstrekt door China, zegt Mwase. "We hebben geen bewijs gevonden dat lage inkomenslanden met goed bestuur beloond worden met meer financiering. Hoewel deze bevindingen niet uniek zijn voor de BRIC-landen, verhogen de snel groeiende investeringen de noodzaak om te verzekeren dat de financiering niet de pogingen
ondermijnt om tot beter bestuur te komen in deze landen", zegt ze.

"Dergelijke leningen kunnen landen in een schuldenval jagen als de risico's niet goed in ogenschouw genomen worden ", zegt Mwase. "De arme landen moeten zich ervan verzekeren dat de financiering naar projecten met een grote opbrengst gaat en hen niet een niet-duurzame weg opduwt."

De investeringen door de opkomende landen zijn vaak weinig transparant, of het nu gaat om hulp, leningen of zelfs commerciële contracten tussen BRICS-landen en armere landen. "Landen zoals China en India publiceren geen informatie over specifieke landen als het gaat om hun concessionele en niet-concessionele leningen", staat in een document van het Centrum voor Chinese Studies van de Stellenbosch Universiteit in Zuid-Afrika.

"Dat maakt het moeilijk voor de parlementen in partnerlanden en maatschappelijke organisaties om de impact die het geld heeft op de ontwikkeling, te meten. Er is meer transparantie nodig als we willen weten welke impact de "BRICS-ontwikkelingspakketten" hebben."

Zambia
Susan Thomson, postdoctoraal onderzoeker politicologie aan Hampshire College, maakt zich zorgen over de negatieve impact van ontwikkelingshulp door BRICS-landen. "De Verenigde Staten, Canada en de Europese Unie stellen aan hulp voorwaarden op het gebied van mensenrechten. Het is onwaarschijnlijk dat de BRICS-landen dat ook doen."

Als voorbeeld noemt ze Zambia, waar plaatselijke arbeiders zeven dagen per week werken aan Chinese ontwikkelingsprojecten. Internationale of binnenlandse wetgeving op het gebied van arbeids- en sociale rechten, wordt daarbij genegeerd.

"Het feit dat Afrikaanse regeringen actief zoeken naar extra hulpkanalen zal leiden tot een verbreding van de economische kloof. De winnaars zullen de BRICS-landen zijn, en de verliezers de kleine boeren, vrouwen, mensen met hiv/aids en alle andere traditionele verliezers van dit systeem", zegt Thomson.

Landroof
Uit een studie van de niet-gouvernementele organisatie GRAIN en de Economic Research Foundation uit 2011, blijkt dat Indiase bedrijven grote stukken land opkomen in Afrika, met de bedoeling hun voedselproductie uit te besteden aan lage inkomenslanden.

In 2010 investeerden meer dan tachtig Indiase bedrijven zo'n 2,4 miljard dollar in grond in landen zoals Ethiopië, Kenia, Madagascar, Senegal en Mozambique. Het is de bedoeling dat het land gebruikt gaat worden voor het verbouwen van voedselgewassen voor de Indiase markt.

De Indiase handelwijze laat zien dat Zuid-Zuidsamenwerking zijn beperkingen heeft als het gaat om het opheffen van ongelijkheid en uitbuiting, zegt Ghosh.

Volgens haar hebben Zuid-Zuidpartnerschappen de potentie om het karakter van de huidige economische orde te veranderen, maar alleen als ze anders ingericht worden. "Momenteel zijn ze net als de Noord-Zuidpartnerschappen in de eerste plaats gericht op belangen van bedrijven. Ze opereren binnen het door de markt gedreven systeem waarbij de belangen van grote bedrijven prevaleren boven die van burgers."


__________________________________________________________


Ethiopische kinderen werken op "Indiaas land"
ADDIS ABEBA , 13 november 2011 (IPS)

De achtjarige Red is op zijn knieën onkruid aan het wieden op een suikerrietveld, in de brandende zon. Een Indiër overziet het veld en let op of de jongen geen onkruid laten staan. Met de export van voedsel uit Ethiopië, geproduceerd met kinderarbeid, hoop de Indiase eigenaar van het bedrijf miljoenen te verdienen binnen drie jaar.

"Het is hier nog een totale wildernis, maar binnenkort beginnen we met suikerriet en palmolie. Dan zal alles er netjes uitzien", zegt Karmjeet Singh Sekhon, terwijl hij met zijn Toyota 4x4 over het ruige land rijdt.

De 68-jarige Indiër is manager van de Karuturi -farm in West-Ethiopië, die 100.000 hectare beslaat. Binnenkort moet het bedrijf 300.000 hectare tellen, een oppervlak groter dan Luxemburg.

Harde valuta
Sinds 2008 is er sprake van een ongekende run op landbouwgrond in Afrika, Latijns-Amerika en Azië. Dat is het gevolg van sterke schommelingen in de voedselprijzen op de wereldmarkt, die in sommige landen leidden tot voedselrellen. Landen zoals India, China en de Golfstaten willen zeker zijn van voldoende voedsel voor hun groeiende bevolking. Ook willen ze een rol spelen bij de productie van biobrandstoffen.

"Er hangt vaak een sluier van geheimzinnigheid over deze landdeals. Die zal moeten verdwijnen, zodat armen uiteindelijk niet de zware prijs van het verlies van hun land betalen", zegt Ngozi Okonjo-Iweala, voormalig directeur bij de Wereldbank.

In Ethiopië, het op twaalf na armste land in de wereld, is de strijd om landbouwgrond nog maar net begonnen. De sociale en milieugevolgen zijn moeilijk te voorspellen. Volgens de Verenigde Naties hebben 4,5 miljoen mensen in Ethiopië momenteel hulp nodig als gevolg van verwoestende droogte. De meeste voedselhulp komt uit het buitenland.

"Geen probleem", zegt Sekhon. "Een deel van de productie blijft hier, en door de export krijgt Ethiopië harde valuta om voedsel te kopen op de wereldmarkt."

Moderniseringsgolf
Ethiopië kent geen wet die vaststelt hoeveel voedsel in het land moet blijven. Birinder Singh, verantwoordelijk voor marketing en logistiek, maakt er geen geheim van dat het bedrijf commercieel georiënteerd is. Er wordt verkocht aan de hoogste bieder, wie dat ook is, zegt hij.

Vijfentachtig procent van de Ethiopische bevolking van 80 miljoen mensen leeft van het land. In de afgelopen honderd jaar is er op dat gebied weinig veranderd: kleine stukken grond worden bewerkt met door ossen getrokken ploegen en de opbrengsten zijn laag.

De regering hoopt dat het leasen van landbouwgrond aan buitenlandse investeerders leidt tot een moderniseringsgolf. Volgens de VN-Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), moet de voedselproductie tussen 2010 en 2050 met 70 procent stijgen om tegemoet te kunnen komen aan de wereldwijde vraag.

Al het land in Ethiopië, 111,5 miljoen hectare, is eigendom van de staat. Volgens de regering is driekwart daarvan geschikt voor landbouw. Momenteel wordt slechts 15 miljoen hectare daarvoor gebruikt.

De regering heeft nu 3,6 miljoen hectare bestemd voor buitenlandse en binnenlandse investeerders. Het huren van een hectare grond kost tussen 4,40 en 168 euro per jaar. De contractperiodes variëren van 20 tot 45 jaar. Critici spreken van een "uitverkoop."

Kennisimport
De Ethiopische premier Meles Zenawi noemt de kritiek slecht onderbouwd of zelfs "kwaadaardig." "We willen het land ontwikkelen om onszelf te voeden. Dat is beter dan de schoonheid van het braakliggende land te bewonderen terwijl we sterven", zegt hij.

Ethiopië is populair bij investeerders uit de agribusiness. "Er ligt veel goed land, er is genoeg water, goedkope arbeid en een stabiele regering die orde garandeert", zegt Singh.

Volgens Esayas Kebede, hoofd van het overheidskantoor dat verantwoordelijk is voor verhuur van het land, profiteert Ethiopië op verschillende manieren van de deals. "Door voedsel te exporteren, komen er dollars binnen. De boerderijen verschaffen werk, ze importeren kennis en helpen ons de productiviteit op te voeren en de voedselzekerheid te verbeteren", zegt Kebede.

Veel plaatselijke boeren zijn niet overtuigd. Ojwato is een van hen. Het kost hem maar een paar minuten om zijn 0,8 hectare land te voet te doorkruisen. Hij is boos over het feit dat de oogsten van zijn buurman geëxporteerd worden terwijl zijn land regelmatig voedselhulp ontvangt. "De buitenlanders beloofden ons elektriciteit aan te leggen en voor water en ziekenhuizen te zorgen. Maar er kunnen maar een paar van ons op het veld werken en ze betalen slecht", zegt hij.

Verhuizingen
"We betalen altijd het minimumloon", zegt Singh. "Niemand wordt gedwongen hier te werken", voegt Kebede eraan toe.

Bij Karuturi-farm werken veel kinderen. Hoewel hij het geld goed zou kunnen gebruiken, verbiedt Ojwato zijn kinderen voor het Indiase bedrijf te werken. Op een dag zullen ze artsen, onderwijzers of ingenieurs zijn, zegt hij. En daarvoor moeten ze naar school en niet op het land werken.

Niet alle ouders denken er zo over. "Soms komen er maar vijf van de zestig kinderen naar school. De rest is aan het werk", zegt Tigaba Tekle, plaatsvervangend schoolhoofd van een school vlakbij de Karuturi-farm.

Officieel wordt alleen onbewoond land gebruikt door de gigantische bedrijven, maar mensenrechtenorganisaties vrezen dat er mensen gedwongen zullen worden hun land te verlaten. Er zou al een verhuizingprogramma van de overheid lopen in West-Ethiopië.

Volgens de regering is er geen verband tussen het verhuizingprogramma en de landbouwprojecten. Iedereen kan vrijwillig vertrekken. Mensenrechtenorganisaties betwijfelen dat echter.

Niet alleen mensenrechtenorganisaties hebben problemen met de megaboerderijen, ook milieuactivisten zijn kritisch. Ongeveer veertig jaar geleden was 40 procent van Ethiopië bebost, nu is dat nog maar 3 procent.



__________________________________________________________


De grote Melkroof
16 december 2011 GRAIN

De meeste markten in het Zuiden worden van melk voorzien door kleinschalige verkopers die melk ophalen bij boeren en herders. Maar ze staan onder druk van de grote zuivelbedrijven zoals Nestlé en PepsiCo and Cargill and andere spelers, die de hele zuivelsector in deze landen over willen nemen, van boerderij tot markt. Een nieuw verslag door GRAIN laat zien hoe belangrijk melk is voor het levensonderhoud en de gezondheid van armen in veel landen in het zuiden.

Bij 'Melk van de mensen' gaat het om honderden miljoenen mensen over de hele wereld die veilig, voedzaam en niet te dure melk leveren aan heel veel arme gezinnen.
" 80% van de zuivelmarkt wordt van zuivel voorzien door deze 'melk van mensen'systemen, die vaak 'de informele sector wordt genoemd
" 15% van de bevolking wereldwijd is bij de melkproductie betrokken
" kleinschalige zuivelsystemen scheppen 200 banen op het platteland per miljoen liter melk per jaar, vergeleken met 5 banen op het platteland die geproduceerd worden in de industriële zuivelproductie in het Noorden.
" in Pakistan, Kenya en colombia wordt verse 'melk van de mensen'verkocht voor de helft van de prijs van verpakte melk in supermarkten.

Kleinschalige boeren, herders and verkopers leveren een bewonderenswaardige prestatie met de melk die zij weten te leveren aan de groeiende markten in het zuiden. Het probleem is dat de grote bedrijven dezelfde markten op het ook hebben en dat zij zware middelen inzetten om die markten te stelen van de armen. Daarbij bieden de regeringen hen de helpende hand:

" Bilaterale handelsverdragen laten toe dat transationale zuivelbedrijven van tijd tot tijd gesubsidieerde melk dumpen en zo onder de prijs van lokale producenten duiken. Allerlei regels en eisen zijn gunstig voor de bedrijven maar sluiten de 'melk van de mensen' uit van de markten. Financiële investeerders en grote zuivelbedrijven verenigen hun krachten en zetten mega zuivelboerderijen op in het hele zuiden.

Cargill's hedge fund heeft 300 miljoen dollar beschikbaar gesteld voor zuivelbedrijven in China en India. De grootste zuivelcoöperatie van de wereld, Fonterra, bouwt 'boerderijen 'in China, India en Brazilië op een schaal die zo groot is dat ze daar in het thuisland Nieuw Zeeland nooit mee weg zouden komen. Een bank in Vietnam bouwt een boerderij voor 137.000 koeien. Dit zijn sociale en ecologische rampen die miljoenen mensen in de armoede zullen storten. Er worden verschillende mogelijkheden voor actie gesuggereerd:
" Hoge tarieven om het periodiek dumpen van geïmporteerde melk en goedkope zuivelproducten tegen te gaan.
" De zuivelproductie zou zich weer moeten oriënteren op de thuismarkt, met behulp van bijvoorbeeld aanbodbeheersing
" Voedselveiligheidssystemen die passen bij de behoeftes van de mensen, niet bij de eisen van de bedrijven
" Boycots van grote zuivelbedrijven en supermarkten
" campagnes om geld weg te halen bij fondsen die investeren in de industriële productie in het Zuiden
" solidariteit met en tussen zuivelproducenten en kleinschalige verkopers en verwerkers en consumenten en arbeiders in de zuivelindustrie

'Melk van de mensen' heeft een aantal machtige tegenstanders. Maar de ervaringen in Colombia en elders laten zien dat die overwonnen kunnen worden. In Colombia begon het verzet in 2006 toen het verbod op verkoop van ongepasteuriseerde melk afgekondigd werd. Dit werd onder druk van de bevolking uitgesteld, en na twee jaar na demonstraties werd het nog eens uitgesteld. In 2010 stond nieuwe wetgeving en bovendien een vrijhandelsverdrag met Europa op het programma. Het protest was nu massaal, en in Mei 2011 werd Decreet 1880 aangenomen: 'Melk van de mensen' werd tot 'legaal en essentieel' product verklaard. De strijd is echter nog niet voorbij: er staan nog vrijhandelsverdragen met de VS en Europa op het programma. Maar de zuivelsector is nu een katalysator van het verzet tegen dit soort verdragen.

Dit zijn de voedselsystemen die de wereld nodig heeft voor de bestrijding van armoede, honger en klimaatverandering, en we zouden ze allemaal moeten steunen, omdat zoveel mensen ervoor hun levensonderhoud en het welzijn van hun families van afhankelijk zijn.

Het volledige rapport is hier te vinden:http://www.grain.org/article/entries/4259-the-great-milk-robbery-how-corporations-are-stealing-livelihoods-and-a-vital-source-of-nutrition-from-the-poor

The great milk robbery: How corporations are stealing livelihoods and a vital source of nutrition from the poor



__________________________________________________________


Braziliaanse boeren planten bomen tussen gewassen
SÃO PAULO , 10 november 2011 (IPS)

In de Braziliaanse deelstaat São Paulo planten boeren struiken en bomen tussen hun gewassen. Daardoor hebben ze minder water nodig. Het lokale project heeft nationale ambities.

Met de bedoeling het milieu te beschermen hebben boeren in twee landelijke zones in São Paulo een techniek ontwikkeld waarin het planten van bomen de belangrijkste factor is.

De bomen worden tussen de gewassen geplant. Op die manier willen de boeren het waterverbruik voor de irrigatie van de gewassen verminderen. De techniek maakt ook het gebruik van chemische bemesting overbodig.

"De schaduw van de bomen vrijwaart de bodemvochtigheid en vermindert de noodzaak van irrigatie, terwijl de wortels de noodzakelijke voedingsstoffen krijgen, waardoor geen landbouwchemicaliën nodig zijn", zegt Pedro Oliveira de Souza, voorzitter van Cooperafloresta, een van de verenigingen achter het project.

Vruchten van de Agrobosbouw heet het project. Het is resultaat van een samenwerking tussen de Vereniging van Landbouwers in Agrobosbouw van Barra do Turvo en Cooperafloresta, in de vallei van de Ribeira-rivier. Cooperafloresta is een vereniging die kleine, familiale, milieubewuste landbouw nastreeft.

Het project kreeg ondertussen de steun van staatsoliebedrijf Petrobras. De promotoren van Vruchten van de Agrobosbouw hebben de ambitie de expertise van de boeren in heel het land te verspreiden, via praktische opleidingen op het terrein.



__________________________________________________________


Latijns Amerikaanse landen vormen front tegen honger
09 november 2011 door IPS

SALVADOR - Parlementsleden uit Brazilië, Argentinië en acht andere landen uit Latijns-Amerika maken zich sterk voor nieuwe wetten die regeringen moeten dwingen de strijd tegen de honger op te voeren. Brazilië heeft het recht op voedsel al in zijn grondwet opgenomen, en Colombia en de Dominicaanse Republiek denken daar over na.

De leden van het Parlementair Front tegen de Honger, een Latijns-Amerikaans initiatief dat in 2009 werd opgestart, nemen in het Braziliaanse Salvador deel aan een driedaagse conferentie over voedselveiligheid die morgen (10 november) afloopt. Brazilië geeft de toon aan in de strijd tegen de honger. De voorbije acht jaar slaagde de regering erin de ondervoeding bij kinderen in het land met 61 procent terug te dringen dankzij een Nul Honger-programma.

Honger is politieke kwestie
"Honger is geen technisch probleem, maar een politieke kwestie; we kunnen dus wel degelijk wetgevend werk leveren", zegt Pedro de la Cruz, een volksvertegenwoordiger uit Ecuador. Voedselschaarste is volgens hem een gevolg van niet-duurzame productie, een gebrek aan water en grond of van slecht werkende markten. "Dat zijn politieke problemen, en daarom moeten we wetten maken die het recht op voedsel affirmeren."

Het Parlementair Front tegen de Honger probeert voedselveiligheid in alle landen van Latijns-Amerika en de Caraïben hoger op de agenda te krijgen. Volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) lijden in de regio 52 miljoen mensen honger. Dat hangt onder meer samen met de hoge voedselprijzen. Eten is er nu ongeveer 40 procent duurder dan vier jaar geleden.

Nationale initiatieven
In Brazilië zet onder meer een nationaal samenwerkingsverband van parlementsleden hun schouders onder de strijd tegen de honger. Samen met de Nationale Raad voor Voedselveiligheid pakken die politici nu ook andere voedingsproblemen aan, zoals het overaanbod van voedsel van lage kwaliteit en zwaarlijvigheid.

Ook in Honduras, El Salvador en Argentinië zijn er intussen parlementaire initiatieven tegen de honger van de grond gekomen. In El Salvador heeft dat al tot acht projecten geleid die de voedselzekerheid in het land moeten verbeteren. In Argentinië worden ook provincies en gemeentebesturen bij het werk betrokken. In dat land wekt onder meer de aankoop van grote oppervlaktes landbouwgrond door buitenlandse investeerders bezorgdheid. Argentinië is een grote voedselproducent, maar voert veel landbouwgewassen uit.

Auteur: Fabiana Frayssinet



_____________________________________________________



Duurzaam begint bij de consument (zegt de boer)
Duurzaamnieuws 08-11-2011 | Bron: iNSnet

"Duurzaamheid begint bij de consument, niet bij de producent, de boer!" Dit zegt Henk Jan ten Haken, bedrijfsleider van Nij Bosma Zathe, tijdens een rondleiding op deze praktijkproefboerderij voor melkveehouderij van de WUR (Wageningen University & Research centre) even buiten Leeuwarden.

Wil van consument is wet
Door het initiatief bij de consument te leggen, wijst Ten Haken de consument op zijn macht om druk uit te oefenen op de politiek. "En als de regering het dan wil, dan zijn wij, de boeren zo om. Dan moet wel iedereen de consequenties van dit principiële besluit onder ogen zien. Er hangt namelijk wel een groen prijskaartje aan, want duurzaam produceren vraagt meer inzet, meer controles en monitoring, meer zekerheid en innovatie. Elders in de wereld is de consument al lang blij met melk en vraagt zich niet of nauwelijks af waar die vandaan komt. Die keuze voor de Westerse consument tussen 'fabrieksmelk' en 'melk van de groene koe' is luxe en dat kost geld."

Weidemelk
En die koe in de wei, is dat de groene oplossing? "Nee, dat is helemaal niet zo groen, maar heeft alles te maken met het imago", luidt het ontnuchterende antwoord van de bedrijfsleider van Nij Bosma Zathe. "Onze coöperatie FrieslandCampina heeft voor dat imago van weidemelk zelfs geld over en betaalt boeren nu 0,5 cent per liter meer. Van die prijsverhoging merkt de consument in de winkel weinig. "Het zal net zo gaan als met groene stroom", luidt de voorspelling van Ten Haken. "Daarvoor betaalt de consument ook niet graag meer en dus wordt die nu met grijze stroom gemengd en komt zo bij de consument thuis. Zo zie ik dat ook gebeuren met de weidemelk, die wordt gemengde met niet weidemelk, als er straks meer aanbod is dat vraag." En de boeren? Die merken wel degelijk wat van deze prijsverhoging. "Dus volgend jaar gaan de koeien van Nij Bosma Zathe ook weer de wei in."

Gelukkige koe
Duurzaam boeren in de melkveehouderij is niet eventjes de koeien in de groene wei zetten. Het gaat erom nog beter en duurzamer voor de koeien te zorgen. Dat wil zeggen het terugdringen van stress voor de koe door haar meer ruimte en comfort in de stal te bieden en haar zelf het moment te laten kiezen, wanneer ze door de melkrobot gemolken wil worden. Dit terugdringen van stress verbetert net als bij de mens, de gezondheid van de koe, dringt daarmee het zo gewenste gebruik van antibiotica terug en de koe wordt ouder. "De kans dat de koe ouder wordt, betekent voor de boer dat hij langere tijd profijt heeft van haar melkproductie. Vergeet niet dat je de eerste twee jaar als ze nog te jong is om te kalveren, de jonge koe slechts in de kost hebt."

Duurzaam op de boerderij
De praktijkproefboerderij Nij Bosma Zathe houdt zich bezig met innovatie, onderzoek en conceptontwikkeling in opdracht van het bedrijfsleven, ministeries of belangenorganisaties. "Duurzaamheid staat in alle processen die we onderzoeken of monitoren èn in onze bedrijfsvoering op nummer 1, maar we zijn geen ecoboer" benadrukt haar bedrijfsleider. "We werken niet milieuvervuilend en zijn energieneutraal met onze eigen vergisters, die ook nog eens stroom leveren aan 2.200 huishoudens in het hier nabijgelegen Techum. Deze vergisters voeren we naast mest, afgekeurde landbouwproducten zoals uien, cacaodoppen of zelfs koekjeskruim."

Robot in de wei
Ten Haken laat in de grote loopstal voor zijn 200 melkkoeien een paar praktijkproeven zien. Voor stalbouwers bijvoorbeeld onderzoekt de proefboerderij waterbedden voor de koe, diverse vormen voor de scheidingshekken en drinkbakken. Trots is de bedrijfsleider op hun uitvinding van de weiderobot. Deze robot staat in de wei, kan daar op zonne- of windenergie draaien en is gemakkelijk te verplaatsen naar een andere wei. Het is twee in één: het biedt de koe vrijheid het moment te kiezen wanneer ze gemolken wil worden. En de boer kan aan de maatschappelijke wens voldoen van 'koeien in de wei' en krijgt hij ook nog eens voor zijn weidemelk meer geld van de coöperatie. "Deze robot kan straks ook ingezet worden voor melkvee in natuurgebieden, waar je tot nu toe alleen slachtvee ziet grazen."

Silicon Valley melkveehouderij
De WUR breidt Nij Bosma Zathe de komende jaren onder haar nieuwe naam Dairy Campus uit, van vier naar ruim acht hectare tot haar Silicon Valley voor melkveehouderij. Op deze campus komen diverse R&D- faciliteiten voor de WUR en het bedrijfsleven.

http://www.nijbosmazathe.nl
dairycampus@wur.nl

Désirée Crommelin
www.het-interview.nl



_____________________________________________________


Oxfam rapport onthult grove mensenrechtenschendingen op FSC plantages in Oeganda
DeWereldMorgen.be 07 november 2011
door An-Katrien Lecluyse, Leo Broers

In Oeganda werden meer dan 22.000 boeren verdreven om plaats te maken voor duurzaam beheerde boomplantages. Families werden gedwongen hun land te verlaten, huizen werden platgewalst en gewassen verbrand. Ondanks deze flagrante mensenrechtenschendingen kregen de plantages van de New Forest Company toch het FSC-label. Wat is er aan de hand?

Door de voedselcrisis van 2007-2008 is de druk op vruchtbare grond enorm toegenomen. Het voorbije decennium werd in ontwikkelingslanden een oppervlakte zo groot als West-Europa verkocht of verhuurd aan buitenlandse bedrijven voor de teelt van exportgewassen zoals voedsel, biobrandstoffen, hout of papier.

"Te veel van die investeringen gaan gepaard met bedrog, mensenrechtenschendingen en landverlies", schrijft Oxfam in 'Land and Power', een recent rapport over landroof.

Het Oxfam-rapport haalt het voorbeeld aan van de New Forest Company, een Engels bosbouwbedrijf dat in Oeganda plantages van snelgroeiende bomen beheert. Meer dan 22.000 mensen werden van hun land beroofd, vaak met geweld. Uit verschillende getuigenissen blijkt dat de uitwijzingen niet alleen werden uitgevoerd door de politie en het leger, maar ook door gewapende handlangers van het bedrijf.

Gedwongen te verhuizen
"Ik herinner me dat we een deadline kregen om onze huizen te verlaten, tussen 12 en 28 februari 2010", getuigt Naiki Apanabang voor Oxfam. "Ik verkoos te vertrekken op 12 februari. We konden zien hoe ze huizen in brand staken en de mensen hun velden vernielden. Het was te pijnlijk om nog te blijven." De moeder van acht kinderen woont nu in een huurhuis en kan niet eens dagelijks haar gezin voeden.

Lokuda Losil is 60 en verkreeg zijn stuk grond in de jaren zeventig. Hij voedde er zijn 8 kinderen op en zag er zes van zijn kleinkinderen opgroeien. Op zijn plantage van bananen, jackfruit en avocado's was het hard werken, maar hij en zijn familie hadden een leven zonder zorgen.

"De New Forest Company heeft mijn grond afgepakt. Mensen van het bedrijf samen met veiligheidsdiensten vernielden onze oogst en sloopten onze huizen. Ze sloegen mensen in elkaar, vooral degene die niet konden weglopen. Ik ben met mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen in groep weggevlucht. Het was verschrikkelijk."

De landroofkwestie waarover zelfs The Guardian en The New York Times schreven, is een smet op het duurzaam imago van de New Forest Company. Maar deze ontkent de aantijgingen met klem: "Oxfam valt een bedrijf aan met een vlekkeloos parcours in gemeenschapsinvestering en ontwikkeling. Het grootste deel van de beweringen is onjuist en misleidend."

In een interview met Al Jazeera verduidelijkt de voorzitter van New Forest Company, Robert Devereux: "We hebben er alles aan gedaan om de mensen op vrijwillige basis te laten gaan. Dat werd bevestigd door FSC." Waarop Kate Geary, co-auteur van het Oxfam-rapport, reageert: "Hoe kan New Forest Company beweren dat de mensen vrijwillig hun huis verlaten hebben als er twee rechtszaken lopen vanwege misbruik, geweldpleging en vernieling van huizen en oogsten? Iedereen weet maar al te goed wat er gebeurt op de plantages."

Landroof met een FSC-label
Ondanks de grootschalige landroof kreeg New Forest Company in 2009 toch het FSC-label voor zijn plantages in de Oegandese districten Kiboga en Mubende. Het certificeringsrapport heeft het over 'illegale bezetters' wanneer verwezen wordt naar de talloze boeren wier land werd afgepakt. En over de manier waarop dat gebeurde, is de controleurs niets bijzonders opgevallen: "De certificaathouder (New Forest Company) heeft zich vreedzaam gedragen en handelde verantwoord. De illegale indringers zijn vrijwillig van hun land vertrokken. Er waren geen incidenten of geweldpleging, noch meldingen van gedwongen verhuizingen", aldus SGS-Qualifor, een van FSC's belangrijkste certificeerders.

Twee maanden na certificatie ontving het Oegandese ministerie van Land een petitie van 10.000 wanhopige inwoners die opgejaagd werden om hun huizen te verlaten. Niet een van hen werd geïnterviewd tijdens de jaarlijkse controlebezoeken van FSC.

"Dat toont nogmaals hoezeer FSC een systeem is dat de positie van de gecertificeerde bedrijven legitimeert en versterkt, terwijl het de zaak van de plaatselijke bevolking verzwakt", zegt de coördinator van de World Rainforest Movement, Winfridus Overbeek. "FSC is al sinds 2009 op de hoogte van wat er gaande is in Oeganda."

Alison Kriscenski van FSC-International stelt dat de 'verandering in landgebruik' geëvalueerd werd tijdens de controlebezoeken en dat alle stakeholders geraadpleegd werden. Toch kan FSC niet om het Oxfam-rapport heen: "FSC zal de toestand in Kiboga en Mubende grondig onderzoeken. Het is onze prioriteit dat alle inbreuken tegen de principes en criteria van FSC verholpen worden."

Maar in de praktijk betekent dit dat FSC opnieuw het vertrouwen geeft aan SGS-Qualifor, de certificeerder die twee jaar lang alles door de vingers zag, om het onderzoek te voeren.

Het oncertificeerbare certificeren
"New Forest Company in Oeganda is zeker geen geïsoleerd geval", benadrukt Winfridus Overbeek. "De World Rainforest Movement voert al jaren campagne tegen de certificering van grootschalige boomplantages, omdat ze wereldwijd gepaard gaan met conflicten. Industriële plantages staan per definitie haaks op de principes van duurzaamheid."

Toch neemt de vraag naar duurzaam hout en koolstofkredieten uit plantages gestaag toe. En New Forest Company is een jong bedrijf dat daar gretig op inspeelt en ook in andere Afrikaanse landen groeit. In Mozambique bezit het 20.000 ha, in Tanzania 14.000 ha en in Rwanda 13.000 ha. Volgens SGS-Qualifor zullen al deze plantages nog voor de oogst gecertificeerd worden. Sinds het schandaal in Oeganda heeft FSC daar nog geen uitspraken over gedaan.

Woensdag 9 november om 20 uur speelt in de Centrale in Gent 'Duurzaam op papier', een documentaire over een Braziliaans papierbedrijf dat FSC nooit had mogen certificeren. Daarna volgt een pittig debat over de geloofwaardigheid van het FSC-label. Meer info: www.groeneloper.be


_____________________________________________________


Betere wegen doen Congolese voedselproductie pieken
BRAZZAVILLE , 7 november 2011 (IPS)

De regering van Congo-Brazzaville heeft sinds 2009 al 839 kilometer wegen verhard waarlangs boeren hun oogst naar de steden kunnen brengen. In de streken die door de nieuwe wegen worden ontsloten, is de landbouwproductie al spectaculair gestegen.

Medio dit jaar kon de Congolese minister van Landbouw, Rigobert Maboundou, een verharde weg van 37 kilometer inhuldigen tussen Ngobana en Bouemba, in het noorden van het land. Nu voeren de boeren van Bouemba volgens het ministerie elke week ongeveer 800 ton extra levensmiddelen naar de hoofdstad, vooral maniokmeel, yams en gedroogde vis.

Succesverhalen
Gelijkaardige succesverhalen komen uit andere delen van het land. Een verbinding van 35 kilometer tussen Boko en Ntombo-Manianga in de zuidelijke regio Pool heeft de productie van groenten, fruit en maniok in de omgeving de eerste negen maanden van dit jaar opgedreven tot 6000 ton, tegenover amper 1200 ton voordien. Ook in het zuiden van het land heeft een weg van 25 kilometer tussen Nzongo en Louomo de export van maniok, pindanoten en fruit van maximaal 850 ton per jaar opgedreven tot 4500 ton. Alle cijfers komen van de overheid.

Een nieuwe weg tussen Djambala en Abala-Ndolo zal volgens de eerste prognoses de export van yams, aardappelen en maniok uit het centrum van het land naar Brazzaville meer dan vertienvoudigen. De Amerikaanse hulporganisatie International Partnership for Human Development (IPHD) zegt dat ze dankzij de weg de kans ziet volgend jaar 150 hectare nieuwe aardappelvelden in de streek in gebruik te nemen.

Ook de indrukwekkende bevrachtingcijfers van goederentreinen geven aan dat het wegenbouwprogramma de landbouw aanzwengelt. Sinds de weg tussen Mayalama en Yamba, ook in het zuiden van het land, in augustus goed berijdbaar werd, worden in het station van Loutete wekelijks 1100 ton bananen overgeslagen, 350 ton meer dan voordien. De boeren uit de streek voeren ook duidelijk meer pindanoten, maïs en maniok naar Brazzaville.

Pointe Noire
De grootste stroom van levensmiddelen gaat naar Brazzaville, maar ook Point Noire, de op één na grootste stad van het land, voelt het effect van de nieuwe wegen op het platteland. Een nieuwe verbinding tussen Pilikondi, Bilala en Cacao laat boeren nu toe elke dag groenten en bananen naar de havenstad te voeren. Vroeger stonden hun vrachten vaak weg te rotten in de stations van Pounga of Mvouti.

"Ons zakencijfer is in enkele jaren tijd gestegen van 4.000 tot 44.000 euro", zegt Hugues Taty, lid van de Coöperatie van Groentekwekers en Veetelers van Nkoti Fouta in het zuiden van Congo. De coöperatie profiteert van de verharding van de weg tussen Tchamba en Nzassi.

De verharde wegen stellen boeren in staat verse producten veel vaker en sneller naar de steden te brengen, terwijl producten als maïs en maniokmeel makkelijker en veel verder kunnen worden getransporteerd. Door de grotere omzet en ruimere winstmarges kunnen coöperaties beginnen te dromen van grotere vrachtwagens, waardoor ze nog grotere oogsten aan de man zouden kunnen brengen.

Wereldbanksteun
De nieuwe wegen worden gebouwd in het kader van het PDARP, een Wereldbankproject dat de verbindingen op het platteland wil verbeteren om de landbouw vooruit te helpen. Congo zelf investeert bijna 15 miljoen euro in het project. De Congolese regering had zich in 2008 voorgenomen op het platteland 1320 kilometer nieuwe wegen aan te leggen. Volgens het PDARP zijn er daarvan tussen 2009 en 2011 al 836 kilometer gerealiseerd, waarvan 524 kilometer dit jaar.

Congo-Brazzaville voert volgens de VN elk jaar voor ongeveer 174 miljoen euro voedsel in. Het dunbevolkte land biedt uitgelezen mogelijkheden om meer voedsel te produceren. Amper 2 procent van de potentiële landbouwgrond in het land wordt momenteel bewerkt. Het gebrek aan goede wegen is een van de oorzaken waarom de Congolese landbouw zo lang onderontwikkeld bleef.


_____________________________________________________


'Ook de rechten van de bewoners tellen'
Interview met Titi Soentoro over klimaatgeld voor bossen
5 november 2011 (MO*)

'Klimaatfinanciering voor herbebossing en bosherstel (REDD+) moet ook oog hebben voor de rechten van wie in het bos woont' vindt Titi Soentoro, van ADB-Indonesië, het NGO-Forum dat het beleid van de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank in de regio opvolgt.

Voor Indonesië is dat niet zo evident, omdat het land jarenlang een militaire dictatuur kende onder Suharto en de erfenis daarvan nog altijd zwaar doorweegt in het beleid. Soentoro pleit bij de geldschieters voor behoedzaamheid, transparantie en strengere controlemechanismen.

In 2009 kondigde de Indonesische president Susilo Bambang Yudhoyono aan dat Indonesië bereid is zijn uitstoot van broeikasgassen met 26 procent in te krimpen tegen 2020. En als er voldoende internationale steun zou komen, zou dit cijfer voor inkrimpen van de emissies zelfs kunnen stijgen tot 41 procent. Deze intentieverklaring heeft Indonesië een prominente plaats gegeven in tal van initiatieven die op gang komen voor klimaatfinanciering voor vermeden ontbossing en voor bosherstel, het zogenaamde REDD+-programma van de VN-Klimaatconventie UNFCCC.

Een brede waaier van pilootprojecten is opgezet, gesteund door de Wereldbankgroep en door andere multilaterale, bilaterale en private financiers. Maar niet alleen de ecologische impact van de projecten is belangrijk, ook de sociale impact en de monitoring van die geldstromen.

Indonesië heeft na Suharto toch afstand genomen van de dictatuur. Hoe werkt die erfenis dan nog door?

Titi Soentoro: De structuur van de militaire dictatuur is nog sterk overeind gebleven. Militairen zijn nog steeds eigenaars van grond en van belangrijke bedrijven. Zij reiken concessies uit en spelen een belangrijke rol in de export van Indonesië's natuurlijke rijkdommen. Ze komen nog steeds tussen in het politieke leven van de regering en sturen het beleid mee om hun doelstellingen te bereiken.

De voorbije drie tot zes maanden is het geweld weer toegenomen. Huizen van mensen worden afgebrand omdat ze weigeren te wijken voor de palmolieplantages. De militairen worden ingezet door de bedrijven om hun belangen te verdedigen. Het Indonesische leger heeft een contract met de minister van bosbouw en met de milieuminister om de juiste omstandigheden voor het project te creëren; ze worden ingeschakeld om toezicht te houden. Bedrijven buiten die situatie uit, want ze hebben bescherming nodig.

Neemt de huidige president daar geen afstand van? Op de internationale fora schuift hij zijn land naar voren voor pilootprojecten in klimaatfinanciering.

De president komt uit de schoot van het leger en is een ex-generaal. Hij was commandant in Oost-Timor en minister van defensie. Er zijn dus heel nauwe banden. De regering is ook erg uit op het geld. Met klimaat kan er vandaag veel geld verdiend worden. Ons punt is daarom, als je geld geeft aan een regering of een staat voor een REDD+ - project (Reducing Emissions from deforestation and degradation) is het belangrijk na te gaan hoe de lokale situatie is. Vergewis u ervan dat er geen militaire druk is. Men is zich vaak onvoldoende bewust van de impact van het geld.

Internationale financiering voor bossen komt niet noodzakelijk de gemeenschappen ten goede?
Internationale instellingen kijken vaak niet naar de reële situatie ter plaatse. Ze stellen een project op om een bepaalde regio te herbeplanten, maar soms gaat het daarbij om een problematisch gebied omwille van de relatie tussen de staat, de lokale bewoners en de betrokken bedrijven.

Wat de REDD+ projecten betreft, gaat het vandaag over wat men noemt REDD-readyness: het voorbereidend stadium om de regio in gereedheid te brengen. Daarbij gaat het om capaciteitsopbouw voor duurzaam bosbeheer, het opstellen van een beleid. Financiers als de Wereldbank gaan ervan uit dat deze fase geen risico's inhoudt, maar dat klopt niet. Men moet de mensen die er wonen betrekken bij het project. Zij moeten het ermee eens zijn dat er geen bomen meer omgehakt worden of dat er nieuwe geplant worden.

De schendingen van mensenrechten zijn echter talloos. Vandaag zien we dat gebieden in die fase van "readyness" ontruimd worden om de regio klaar te maken voor REDD+. Mensen worden gedwongen om het gebied te verlaten, hun koffieplantages - die hun bron van inkomsten zijn- worden afgehakt. De sociale en culturele relatie met het bos wordt volledig over het hoofd gezien. Wij vragen dat er ook in deze voorbereidingsfase voldoende waarborgen zouden zijn om mensen de nodige bescherming te verzekeren.

Worden de bewoners dan niet betrokken?

We stellen tal van klachten vast van mensen waaruit blijkt dat dit niet het geval is. Van 19 tot 22 september was er in centraal-Kalimantan een klimaatforum van regeringsleiders uit de regio. Tijdens die meeting is er heel veel actie gevoerd, onder meer door de Indonesische inheemsen, die stellen dat ze niet bij de beslissingen betrokken zijn. Hun eisen gaan over het recht op informatie en consultatie. De Wereldbank had inderdaad betrokken bewoners uitgenodigd om deel te nemen aan een overleg vooraf, maar de uitnodiging werd verstuurd anderhalve dag voordien. Mensen kunnen op die manier niet deelnemen en geen weloverwogen advies meebrengen. (Soentoro toont op haar laptop een uitnodiging verstuurd op 18 juli om 1.13 pm, terwijl de bijeenkomst plaatsvond op de 20ste, van 9 tot 12. ) Dit is de praktijk van de Wereldbank.

Op de klimaatonderhandelingen vragen landen uit het Zuiden dat het klimaatgeld niet door de bestaande financiële instellingen zou beheerd worden, maar door nieuwe entiteiten.

Dat is begrijpelijk want er zijn tal van voorbeelden van misbruik in de praktijken van de Wereldbank of de Aziatische Ontwikkelingsbank en vaak blijkt dat de consultaties niet reëel zijn. Indonesië is een klant van de Wereldbank, al jarenlang. Maar onder Suharto en zijn militaire dictatuur is de armoede toegenomen en zijn de bossen afgenomen. Al dat geld dat naar het land vloeit, wordt niet aangewend om de welvaart van de mensen te stimuleren.

Bedoeling van REDD+ is dat dit geld de gemeenschappen helpt op de weg naar duurzame ontwikkeling. Landen als Noorwegen, die bij de eersten zijn om zulke projecten te financieren, zien wij in het Westen eerder als pioniers voor milieu- en klimaatbescherming. Maar dit blijkt niet de goede aanpak?

Soms kan de financiering helpen, maar indien het geld niet goed gebruikt wordt, is het beter dat het er niet is. Niet alles kan trouwens herleid worden tot geld. Een voorbeeld uit Centraal-Kalimantan: een moerasgebied, dat het Suharto-regime vernietigde voor een rijstproject, werd nadien door de inheemse gemeenschap met de steun van een lokale ngo terug hersteld in zijn oorspronkelijke staat, zonder geld van buitenaf.

Vaak wordt er niet gekeken naar wat mensen allemaal al doen. Inheemsen hakken nooit zomaar een boom af, want ze weten dat er in de bomen geesten leven. Bomen zijn heilig en een boom afhakken kan hen een straf opleveren van de grootouders. Als we echt om het woud geven, dan zou de kennis die zij bezitten over het woud, de drijvende kracht moeten zijn bij het opzetten van projecten voor bosbescherming. Maar in de klimaatonderhandelingen gaat het daar niet over. Daar gaat het over zaken doen met CO2 .

REDD+ projecten zijn maatregelen om de bossen in een specifieke regio te beschermen. Wij vragen ons echter af waarom de mensen die daar al generaties wonen, nu met allerlei eisen lastig gevallen worden. Als het werkelijk gaat om de ontbossing af te remmen, moet je nagaan wie de ontbossing veroorzaakt. En dan kom je bij de houtkapbedrijven en niet bij de lokale bewoners. Als de Wereldbank het echt ernstig voorheeft met het klimaatbeleid, moet ze de kapbedrijven aanpakken of de regering voor haar onduurzame ontwikkeling.

Pleit u hiermee tegen REDD+ projecten, en tegen klimaatfinanciering voor bosbehoud en bosherstel?

REDD als een mechanisme om emissies te reduceren, zou ik willen afgeschaft zien; herbebossing is prima, maar zonder zo'n grote financieringsprogramma's omdat geld vaak bestaande problemen verergert. Noorwegen kan dat geld geven, maar waarom gebruikt Noorwegen dat geld niet om in eigen land de uitstoot te verminderen en de levenswijze van de mensen te veranderen? Onlangs namen we deel aan de workshop van de KfW, (de Duitse ontwikkelingsbank Kreditanstalt für Wiederaufbau). Daar werd zonder verpinken gesteld: "We weten dat privébedrijven (van palmolie of papierpulp) de driver zijn van ontbossing. Daarom zullen we die bedrijven incentives geven om de ontbossing aan te pakken." Incentives geven, waarvoor? Zij zijn mensenrechtenschenders!

Wat kan de internationale gemeenschap hieraan doen?

Klimaatfinanciering kan werken, als ze ook mensen meer rechten geeft en hen sterker maakt om hun rechten op te eisen: het recht op informatie, het recht om deel te nemen aan de besluitvorming, dat mensen niet uit hun gebied worden gezet, geen manipulaties en militaire repressie ondervinden. Mensen wonen daar en zij weten wat ze moeten doen om het bos te behouden, beter dan mensen uit het Noorden. Geef hen de tijd en de ruimte om hun eigen weg te gaan en hun eigen ontwikkelingsmodel gestalte te geven.

Een andere belangrijke regel is dat er transparantie is over de geldstromen en dat het geld niet dient om militaire operaties mee te financieren. Als belastingbetaler kan je een invloed uitoefenen.



_____________________________________________________


Voedselcrisis houdt aan ondanks prijsdaling
3 november 2011(MO*)

De voedselprijzen zijn het afgelopen half jaar wereldwijd gedaald, maar ze liggen nog altijd negentien procent boven het niveau van september 2010. Dat staat in het Food Price Watch Report, dat de Wereldbank vlak voor de G-20 top in Cannes heeft gepubliceerd. De hoge voedselprijzen treffen vooral de landen in de Hoorn van Afrika.

Robert B. Zoellick, president van de Wereldbank, zegt dat de voedselcrisis alles behalve gedaan is. Hij dringt er bij de wereldleiders op de G20-top dan ook op aan om het hoog op de agenda te zetten. 'Wereldwijd zijn er miljoenen mensen die lijden onder de hoge voedselprijzen. De wereldbank heeft met het Franse G20-presidentschap en verschillende internationale partners acties opgezet om de meest kwetsbaren te beschermen tegen de gevaren van de prijsstijgingen van voedsel,' aldus Zoellick.

Graan, zuivel en bakolie
Door de speculatie dat de economie zal vertragen, is de vraag naar voedsel de afgelopen negentien maanden gezakt. Vooral de vraag naar graan, zuivel en verschillende kookolie's zakte in deze periode. De index met 53 andere voedingsmiddelen daalde voor de vierde maand naar 216 punten. Deze index lag in september nog op 225 punten. De daling van vier procent was de grootste sinds maart 2010. Deze indexcijfers zijn door de Voedsel en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties in Rome (FAO) in een e-mail vermeld. De daling duidt op een sterke, internationale daling van grondstoffen- en voedselprijzen.

Honger in Hoorn van Afrika
De prijzen zakken, maar in veel delen van de wereld merkt men niets van deze daling. In Somalië, Ethiopië en Kenia is de dreiging van hongerdood nog altijd aan de orde van de dag. Zoellick laat de aanwezige wereldleiders in Cannes weten niet om dit feit heen te willen.

'Laten we vooral niet vergeten dat het verhelpen van de crisis niet alleen te maken heeft met banken en hun schulden. Miljoenen mensen worden dagelijks geconfronteerd met honger en ondervoeding. De G20 kan maatregelen treffen om deze verschrikkelijke situatie te verbeteren.'

Griekenland krijgt voorrang
Op de G20-top kijken de wereldleiders vooral naar de ontwikkelingen rond Griekenland en de positie van Papandreou. Sinds de Griekse premier woensdag een referendum heeft aangekondigd over het Europese noodfonds, heeft hij verschillende lidstaten tegen zich in het harnas gejaagd.


_____________________________________________________


De voedselcrisis slaat opnieuw toe. Speculatie gaat voor op voedselbehoeften
DeWereldMorgen.be 03 november 2011 Vertaaldesk, Esther Vivas

Een nieuwe voedselcrisis slaat toe. De voedselprijzen zijn volgens de index van voedselprijzen van de FAO, de VN-organisatie voor Voedsel en Landbouw, van februari 2011, opnieuw tot recordniveaus gestegen. De FAO analyseert maandelijks wereldwijd de prijzen van een korf van basisvoedingsproducten zoals graan, olie, zuivelproducten, vlees en suiker. Esther Vivas analyseert de voedselspeculatie.

De index bereikte een nieuw historisch maximum, het hoogste sinds de FAO de voedselprijzen in 1990 is beginnen analyseren. De prijzen zijn tijdens de laatste maanden gestabiliseerd, maar analisten voorspellen in de komende maanden nog meer schommelingen.

De stijging van de voedselprijs, vooral van graan, heeft ernstige gevolgen voor de landen van het Zuiden, vooral dan de lageinkomenslanden die afhankelijk zijn van de invoer van voedsel. Vooral de miljoenen families in deze landen die 50 tot 60 procent van hun inkomen aan voedsel uitgeven - in de armste landen loopt dit zelfs op tot 80 procent - zijn het slachtoffer van deze stijging. Door de prijsstijging hebben miljoenen mensen geen toegang tot voedsel.

Een miljard mensen heeft geen toegang tot voldoende voedsel
Bijna een miljard mensen - meer dan één zesde van de wereldbevolking - heeft vandaag geen toegang tot voldoende voedsel. De voorzitter van de Wereldbank, Robert Zoellick, bevestigde onlangs dat het aantal mensen dat chronisch honger lijdt met 44 miljoen is toegenomen door de huidige voedselcrisis. In 2009 waren er meer ondervoede mensen dan nu, namelijk 1,023 miljard. Dat aantal is in 2010 een beetje gedaald, zonder echter te zakken tot het cijfer van voor de voedsel- en economische crisis van 2008 en 2009.

De huidige crisis speelt zich af in een context van voedselovervloed. De voedselproductie is sinds de jaren zestig verveelvoudigd terwijl de wereldbevolking sindsdien slechts verdubbeld is. Er is meer dan voldoende voedsel voor iedereen.

In tegenstelling tot de mening van internationale instellingen zoals de FAO, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie (WTO), gaat het niet om een probleem van productie, maar veeleer om een probleem van zeer ongelijke toegang tot voedsel. Deze organisaties roepen daarom op tot een productiestijging door een nieuwe 'groene revolutie', waardoor de voedsel-, sociale en ecologische crisis enkel nog zou verergeren.

Volksopstanden
De stijging van de voedselprijzen vormde een van de vele aanleidingen van de volksopstanden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Tijdens de volksopstand in december 2010 eiste de armste laag van de bevolking in Tunesië onder andere betere toegang tot voedsel.

In januari 2011 betoogden jongeren in Algerije. Ze blokkeerden wegen, staken winkels in brand en vielen politiekantoren aan als protest tegen de prijsstijging van basisvoedsel. Gelijkaardige situaties speelden zich af in Jordanië, Soedan en Jemen. Egypte is de grootste invoerder van tarwe ter wereld en is erg afhankelijk van voedselimport.

Natuurlijk speelden andere factoren ook een belangrijke rol bij de opstanden van de Arabische lente: hoge werkloosheid, gebrek aan democratische vrijheden, grootschalige corruptie en een tekort aan degelijke huisvesting en andere basisdiensten. De stijging van de voedselprijzen was in elk geval een van de oorspronkelijke aanleidingen tot de volksrevoltes.

Een centrale oorzaak
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de nieuwe stijging in de kosten van onze voeding? Hoewel internationale instellingen en experts hebben gewezen op verschillende elementen, zoals onder andere meteorologische fenomenen waardoor de oogsten in productielanden worden aangetast, de stijging van de vraag in de opkomende groeilanden, financiële speculatie en de groeiende productie van biobrandstoffen, zijn er verschillende aanwijzingen dat speculatie met voedsel een van de belangrijkste oorzaken is voor de recente stijging van de voedselprijzen.

In 2007-2008 brak er wereldwijd een ernstige voedselcrisis uit. De prijzen van basisvoedsel zoals tarwe, soja en rijst stegen met respectievelijk 130, 87 en 74 procent. Toen waren er net als nu verschillende redenen aan te wijzen. De belangrijkste oorzaken waren echter de productie van biobrandstoffen en de groeiende speculatieve investering in de termijnmarkten van voedselproducten.

In 2009 stabiliseerde de stijging van de voedselprijzen, waarschijnlijk gedeeltelijk vanwege de economische crisis en een vermindering van financiële speculatie.

Halfweg 2010, toen de internationale financiële markten weer min of meer stabiel waren nadat gigantische sommen overheidsgeld in privébanken waren gepompt, begonnen speculanten opnieuw in voedsel te speculeren en steeg de voedselprijs nogmaals. Om de banken te 'redden' na de financiële crisis van 2008-2009 hebben de overheden van rijke landen volgens schattingen een totaalbedrag van 20 biljoen dollar uitgegeven om het banksysteem te stabiliseren en de rente te verlagen.

Speculanten aangespoord door hoge prijzen
Door die instroom van extra geld werden speculanten aangespoord nieuwe leningen aan te gaan en producten te kopen die volgens de voorspellingen snel in waarde zouden stijgen. Dezelfde banken en risicofondsen die de crisis van de risicovolle hypotheekkredieten hebben veroorzaakt, zijn momenteel dankzij de wereldwijde ongereguleerde grondstoffenmarkten verantwoordelijk voor speculatie met grondstoffen en de stijging van de voedselprijs.

De voedselcrisis is heel nauw verbonden met de economische crisis en de logica van een systeem waarin er bijvoorbeeld voor wordt gekozen om Griekenland en Ierland overeind te houden terwijl hun soevereiniteit wordt overgeleverd aan internationale instellingen (IMF en Europese Centrale Bank) net zoals de voedselsoevereiniteit van mensen wordt opgeofferd aan de belangen van de markt.

Een garantie voor landbouwers of een fortuin voor speculanten?
Er werd altijd al gespeculeerd in voedselprijzen, dat is namelijk het idee achter termijnmarkten. Termijnmarkten zoals ze nu bestaan, ontstonden in het midden van de twintigste eeuw in de Verenigde Staten. Het zijn wettelijk genormaliseerde overeenkomsten om fysieke goederen te kopen en te verkopen in een op voorhand bepaalde tijdspanne in de toekomst. Op die manier is de producent zeker van een minimumprijs ondanks marktschommelingen.

Het werkt als volgt: landbouwers verkopen hun producten aan handelaars vooraleer er geoogst wordt om zich te beschermen tegen bijvoorbeeld onzekere weersomstandigheden en om een toekomstige prijs veilig te stellen. Ook de handelaar heeft er voordeel bij: als de oogst slecht is, krijgt de landbouwer nog steeds een goed inkomen, als de oogst meer dan verwacht oplevert, heeft de handelaar nog meer winst.

Speculanten gebruiken hetzelfde mechanisme om geld te verdienen aan de deregulering van de grondstoffenmarkt die in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in het midden van de jaren negentig door banken, vrijemarktpolitici en risicofondsen werd aangemoedigd in de context van het proces van de deregulering van de wereldeconomie. De contracten om voedsel te kopen en te verkopen werden 'derivaten' die onafhankelijk van de werkelijke landbouwtransacties konden worden verhandeld. Zo ontstond er een nieuwe business - voedselspeculatie.

Speculanten hebben nu meer invloed op de termijnmarkten hoewel deze transacties niets te maken hebben met het werkelijke spel van vraag en aanbod. Mike Masters, manager van Masters Capital Management, wijst erop dat speculatieve financiële investeringen in de landbouwsector in 1998 ongeveer 25 procent bedroegen en vandaag bijna 75 procent.

De belangrijkste voedselmarkt op wereldniveau waar deze transacties plaatsvinden, is die van Chicago, terwijl voedsel en grondstoffen in Europa worden verhandeld op termijnmarkten in Londen, Parijs, Amsterdam en Frankfurt.

Een '100 procent natuurlijk deposito'
In 2006-2007 na de daling van de markt in risicovolle hypotheekkredieten in de Verenigde Staten, zochten institutionele investeerders zoals banken, verzekeringsmaatschappijen en beleggingsfondsen investeringen met een veiliger en hoger rendement. Voedsel en grondstoffen vormden een aantrekkelijk alternatief. Toen de voedselprijs steeg, namen ook de investeringen in de voedseltermijnmarkten toe waardoor de graanprijs omhoogschoot en de inflatie in voedselprijzen verslechterde.

In Duitsland kondigde de Deutsche Bank 'gemakkelijke' winsten aan bij investeringen in stijgende prijzen voor landbouwproducten. Gelijkaardige overeenkomsten werden gepromoot door de belangrijkste Europese bank BNP Paribas. De klanten van Catalunya Caixa werden in januari 2011 aangespoord om in grondstoffen te investeren onder het motto van een '100 procent natuurlijk deposito'.

Wat werd er aangeboden? Een garantie van 100 procent van het kapitaal met de mogelijkheid van maximum 7 procent winst per jaar. Hoe? Volgens de advertenties was dit gebaseerd op "de evolutie van de opbrengst van drie voedingsproducten: suiker, koffie en graan". Om dergelijke hoge opbrengsten te verzekeren, werd er in de advertenties op gewezen dat de prijzen van deze drie producten gedurende de laatste maanden waren gestegen met respectievelijk 61, 34 en 38 procent wegens de "groeiende vraag die groter is dan de productie", wegens de stijgende wereldbevolking en de grotere productie van biobrandstoffen.

Catalunya Caixa hield echter belangrijke informatie achter: door voedselspeculatie met dergelijke aantrekkelijke winsten, stijgt de voedselprijs, hebben grote delen van de bevolking in het Zuiden geen toegang tot voedsel en zijn duizenden mensen in deze landen gedoemd tot honger, armoede en dood.

Afhankelijkheid van olie
Een ander element dat de voedselcrisis in de hand heeft gewerkt, is het feit dat het huidige model van voedselproductie en -distributie erg afhankelijk is van olie. De stijging van de olieprijs had een onmiddellijke invloed op de gelijkaardige stijging van de prijs van basisvoedsel. In 2007 en 2008 bereikten de olieprijs en de voedselprijs recordniveaus. Tussen juli 2007 en juni 2008 steeg de prijs van ruwe olie van 75 dollar per vat naar 140 dollar per vat. Ondertussen steeg volgens de voedselprijsindex van de FAO de prijs van basisvoedsel van 160 dollar naar 225 dollar.

Voedsel en landbouw zijn erg afhankelijk geworden van olie. Na de Tweede Wereldoorlog, de Groene revolutie in de jaren zestig en zeventig en de zogeheten productietoename is er een intensief en industrieel landbouwmodel aangenomen. In het huidige systeem legt ons voedsel duizenden kilometers af voordat het bij ons terechtkomt; gedurende de productie wordt intensief gebruik gemaakt van landbouwmachines, chemicaliën, pesticiden, onkruidverdelgingsmiddelen en meststoffen. Zonder olie zou dit landbouwmodel niet kunnen bestaan.

De stijging van de olieprijs en het beleid van regeringen om de klimaatverandering het hoofd te bieden, hebben geleid tot een groeiende investering in de productie van alternatieve brandstoffen, biobrandstoffen, zoals biodiesel en bio-ethanol die worden gemaakt van suiker, graan en andere gewassen. Maar deze productie vormt een rechtstreekse concurrentie voor de voedselproductie voor consumptie en is daardoor een van de oorzaken voor de stijging van de voedselprijzen.

Concurrentie tussen voedsel en biobrandstoffen
De Wereldbank geeft toe dat op het moment dat de olieprijs meer dan vijftig dollar per vat bedraagt, een stijging van 1 procent leidt tot een toename van 0,9 procent in de graanprijs. De uitleg hiervoor is dat "per dollar die de olieprijs stijgt, de rendabiliteit van ethanol toeneemt en bijgevolg de vraag naar graan stijgt".

Sinds 2004 is twee derde van de stijging in de wereldwijde graanproductie voor de Noord-Amerikaanse vraag naar biobrandstoffen bestemd. In 2010 werd 35 procent van de graanoogst in de Verenigde Staten, dit komt overeen met 14 procent van de wereldproductie, gebruikt voor de productie van ethanol. En het gaat om een stijgende tendens.

Voedselspeculatie en de stijging van olieprijzen met meer investeringen in biobrandstoffen tot gevolg, waardoor concurrentie ontstaat tussen graanproductie voor consumptie en voor transport, zijn niet de enige oorzaken van de stijgende voedselprijzen. Voedselproductie en landbouw zijn ook erg kwetsbaar en worden beheerst door de markt.

Bovendien werd de huidige crisis ook in de hand gewerkt door onder andere de groeiende liberalisering van de sector tijdens de laatste decennia, de privatisering van natuurlijke hulpbronnen (water, grond, zaad) en de instelling van een internationaal handelsmodel ten dienste van de privébelangen.

Onze voedselveiligheid en het welzijn van onze aarde zijn nog lang niet gewaarborgd zolang landbouw en voedsel beschouwd worden als koopwaar in de handen van de hoogste bieder en zakelijke belangen primeren boven voedselbehoefte en de beperkingen van onze planeet.

Esther Vivas
Esther Vivas is lid van het Centrum voor de Studie van Sociale Bewegingen (Centro de Estudios sobre Movimientos Sociales) aan de Universidad Pompeu Fabra van Barcelona. Ze is auteur van onder andere 'En pie contra la deuda externa' (El Viejo Topo, 2008) en is medewerker bij CIP Americas Program.

Dit artikel verscheen op 25 oktober 2011 onder de titel 'The Food Crisis Strikes Again' op de pagina van Esther Vivas op ZSpace / ZCommunications.

(vertaling uit het Engels door Lene Cools)


_____________________________________________________


Bolivia marcheert in twee richtingen

door Walter Lotens
Op 15 augustus vertrokken verbolgen inheemse Bolivianen en milieubeschermers naar La Paz. De verbindingsweg van Bení naar Cochabamba door het natuur- en inheems gebied TIPNIS (Territorio Indígena Parque Nacional Isiboro-Sécure) mocht er niet komen (zie Uitpers nr. 134). De Morales-regering hield echter het been stijf. Bolivia is verdeeld. Wat gebeurde er in de afgelopen maanden?

Syndicate
Woensdag 19 oktober was dé grote dag voor de protesterende inheemsen. Na méér dan twee maanden hadden ze de ruim zeshonderd kilometers al marcherend overbrugd en stapten zij triomfantelijk El Alto en La Paz binnen. De ongeveer 2000 marchistas - het aantal betogers was fel aangegroeid - werden enthousiast onthaald door honderdduizenden stedelingen. De vakbond COB en de studenten schaarden zich uitdrukkelijk achter de eisen van de inheemsen. Suzanne Kruijt van Broederlijk Delen was ter plaatse: "Bij aankomst op de Plaza San Francisco in het centrum van de stad, werd een mis opgedragen aan de mars en spraken verschillende inheemse leiders de menigte toe. Eén van hen, Celso Padilla, gaf een indrukwekkende getuigenis over het politiegeweld van 25 september waar hij een breuk in zijn rugwervels aan overhield. Ook vertelden de leiders over de angst die heerste om de mars voort te zetten. De inheemse organisaties zijn een juridisch proces begonnen tegen de verantwoordelijke autoriteiten, waaronder president Evo Morales. Bovendien kondigden de inheemse parlementariërs die via de MAS gekozen waren in 2009, aan zich per direct af te scheiden van deze partij en hun eigen agenda te volgen."

Dood van een kind
Het onbegrip en de frustratie over de houding van Evo Morales, die nooit zelf de dialoog met de manifestanten is aangegaan - alleen via een aantal ministers - en die nu ook niet aanwezig was in La Paz om de mars te ontvangen, was groot. Op 25 september is er ook een kindje overleden en vanaf toen is alles uit de hand beginnen lopen. Die dag is ongetwijfeld een keerpunt geweest in heel de TIPNIS-affaire. De marchistas kregen steeds meer supporters en de al fel gehavende populariteit van Evo Morales werd nog meer aangetast. Enkele ministers vonden dat zij in die omstandigheden niet langer konden functioneren en dienden hun ontslag in. Evo Morales vroeg en public om vergiffenis voor het politionele geweld, maar weigerde om op de eisen van de marcheerders, het afblazen van de weg door TIPNIS-gebied, in te gaan. De oppositie, voornamelijk dan de Movimiento Sin Miedo (Beweging Zonder Vrees) van Juan del Granado, probeerde politieke punt te slaan uit deze situatie en stelde Morales verantwoordelijk voor het geweld en de dood van dat Boliviaans kind. Zij probeerde het optreden van de regering-Morales te vergelijken met dat van het leger tijdens de gasoorlog van 2003, waarbij meer dan zeventig mensen het leven lieten en president Sánchez de Lozada op de vlucht ging naar de USA. Politiek analist Juan Carlos Zambrana stelde dat het de natte droom van de oppositie was om van die confrontatie tussen regering en inheemsen gebruik te maken om Morales weg te krijgen. "De Movimiento Sin Miedo ging zelfs zo ver dat ze Morales van genocide beschuldigden zonder dat er een schot was gevallen." Alle middelen waren goed om de tegenpartij in diskrediet te brengen. Zambrana waarschuwde ook voor het gevaar van die extreem negatieve regeringshouding: "Het zijn kritische momenten, niet alleen voor de regering-Morales, maar voor de hele Boliviaanse bevolking, die wel eens zou kunnen marcheren in de richting van de vernietiging van haar eigen emancipatieproces."

In elk geval: de scheiding der geesten was groot, zeer groot. Zeker nadat de cocaleros, die door dik en dun Evo Morales bleven steunen, een tegenbetoging organiseerden. Bolivia marcheerde toen letterlijk in twee tegenovergestelde richtingen. De tipnis-weg legde de politieke tegenstellingen bloot. In de betoging werden niet mis te begrijpen slogans als "Tipnis sí, Evo no!" en "Tipnis sí, coca no!" meegedragen.

Begin van het einde?
De politieke vertaling van dat groeiende ongenoegen tegen de politiek van de regering-Morales kwam al tot uiting op 16 oktober. Op die dag moesten alle Bolivianen naar de stembus om nieuwe rechters te kiezen voor verschillende rechtbanken en raden, onder meer de Grondwettelijke Plurinationale Rechtbank en het Hooggerechtshof. Morales had deze verkiezingen ingesteld om, zoals hij het zelf zei, "het rechtssysteem te dekoloniseren". Voorstanders beweerden dat de verkiezingen konden helpen om de democratie te versterken en het zwakke en inefficiënte rechtssysteem, waarin de inheemse bevolking weinig rechten had, te verbeteren. Morales wilde deze stembusgang om een gerechtelijk apparaat te vernieuwen dat volgens hem door corruptie en willekeur is aangetast. De oppositie vond daarentegen dat Morales via zijn overwicht in het parlement een grotere controle over justitie probeerde te krijgen.

In plaats van een succes voor Morales - voor het eerst in de geschiedenis van Latijns-Amerika werden rechters rechtstreeks door het volk gekozen! - werd er massaal blanco en ongeldig gestemd. De actuele TIPNIS-affaire zal hierin zeker een belangrijke rol gespeeld hebben. Politieke analisten beschouwden deze uitslag in de eerste plaats als een afwijzing van de regeringspolitiek. Het was voor het eerst sinds zijn aantreden in 2006 dat Morales een belangrijke verkiezing verloor. "Is dit het begin van het einde voor Morales?" vroeg politicoloog Jorge Lazarte zich af.

De ommekeer
In eerste instantie negeerde Morales de betogers en hun eisen, maar de druk werd steeds groter. Ook van binnenuit. Pablo Solon, Boliviaanse ambassadeur bij de VN en spreekbuis van Morales over de milieuproblematiek, schreef in een open brief aan Evo Morales onder meer het volgende: "Het is onbegrijpelijk dat wij als land die op internationale VN-bijeenkomsten de wereldconferentie in 2014 over inheemse volkeren promoten, in eigen land geen volwaardige inspraak zouden gunnen aan de eigen inheemse volkeren. Het TIPNIS-conflict had nooit mogen ontstaan. Een betere weginfrastructuur is noodzakelijk, maar niet door de TIPNIS. Het is duurder om een weg te maken die niet door dat gebied loopt, maar 200 of 300 miljoen dollar willen besparen zonder daarbij rekening te houden met de socio-ecologische kosten is volledig in tegenstrijd met de principes van het vivir bien."

Twee dagen na aankomst van de mars ging Morales door de knieën. Op 21 oktober hield de president een persconferentie waarop hij meedeelde, dat de regering besloten had in te gaan op de eisen van de betogers. Er ging in zeven haasten een wetsaanpassing gebeuren, waardoor vastgelegd werd dat de geplande weg niet langer door TIPNIS-gebied zou lopen. De regering gehoorzaamt aan het volk (zoals de regeringsslogan gobernar obediciendo, regeren al gehoorzamend luidt), maar het heeft lang geduurd.

Universeel of corporatistisch
Het is niet de eerste keer dat de regering-Morales bakzeil moet halen. Om verdere sociale onlusten te voorkomen gebeurde dat al einde 2010. Toen de sociale bewegingen hun tanden lieten zien, werd de verhoging op de benzineprijs snel ingetrokken. Vicepresident Álvaro García Linera vond te midden van die politieke heksenketel nog tijd voor enkele theoretische beschouwingen: "Het is legitiem dat onze compañeros zich bekommeren om de toekomst van het woud, maar het is ook legitiem dat er om een weg gevraagd wordt om regio's met elkaar te verbinden." En dan komt hij tot de kern van zijn boodschap. "De sociale bewegingen formuleren niet altijd eisen met een universeel karakter. Dat gebeurt hoogst zelden. Als sociale beweging hebben zij doorgaans een corporatistische visie. Dat is een van de creatieve spanningen die we nu beleven. Na de grote golfbeweging volgt de terugval. In die periode, die kortstondig of langdurig kan zijn, ontwikkelen zich corporatistische reflexen. De staat mag niet in de plaats komen van de samenleving, maar mag ook niet in een hoekje geduwd worden door het corporatisme van sociale bewegingen. Dat is het grote probleem van vandaag." Linera voegt eraan toe dat protestmarsen geen probleem mogen vormen als er tenminste universele eisen worden gesteld. "Het is alleen als alle onderdrukte groepen - inheemsen, boeren en arbeiders - samen optreden, dat het proceso de cambio vooruit komt."

Moeilijke spagaathouding
Het intrekken van de route door het TIPNIS-gebied kan als een politieke nederlaag voor Morales worden beschouwd, maar wijst volgens de Uruguyaanse intellectueel Raúl Zebechi die Bolivia op de voet volgt, ook op een positief aspect van de regering-Morales. "Bolivia is rijk aan sociale bewegingen, die bereid zijn hun leven te geven voor iets wat ze niet willen, maar het is tevens een land dat over een president beschikt die het aandurft om vergissingen te bekennen en daarop terug te komen."

In elk geval zal de regering-Morales in de laatste twee jaar van haar mandaat alles in het werk moeten stellen om de twee Bolivia's, die in verschillende richtingen marcheren met elkaar te verzoenen. Om deze eensgezindheid in de hand te werken, organiseert de regering-Morales eind 2011 een sociale top waarvoor zowel inheemsen, arbeiders, mijnwerkers, boeren als vaderlandslievende ondernemers en intellectuelen worden uitgenodigd. De Argentijnse analist Pablo Stefanoni en ex-hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique in het Spaans vindt zo'n eenmalig initiatief niet voldoende: "Die levensnoodzakelijke inspraak moet permanenter georganiseerd worden. Er moeten nieuwe antwoorden gezocht worden op oude en nieuwe problemen." "Misschien," voegt hij er wat onverwachts en met een knipoog naar de geschiedenis aan toe, "moet er gezocht worden naar een evenwicht tussen het voluntarisme van een Lenin en het reformisme van een Bernstein". Of, anders gezegd: om het Andino en Amazone-socialisme, waarover Álvaro García Linera het graag heeft, te realiseren, zullen er nog veel 'creatieve oplossingen' moeten bedacht worden. De regering-Morales probeert staande te blijven in een moeilijke spagaathouding tussen economische ontwikkeling en bescherming van inheemse rechten én natuurbescherming. Rumoerige sociale bewegingen maken die positie dubbel moeilijk.
De inheemse journaliste Cynthia Cisneros, die voor de regering-Morales werkte tijdens het opstellen van de nieuwe grondwet, spreekt verzoenende woorden: "Als het proceso de cambio van alle Bolivianen is, dan moeten we dat nu verdedigen in de overtuiging dat de toekomst aan ons is. De schouders ergens onder zetten betekent meer dan om het even welke partij steunen. Het is de vraag hoe die grote gemeenschap die Bolivia heet, kan overleven. Daarom hebben wij de verplichting een ontwikkelingsmodel te ontwerpen voor alle Bolivianen, maar wij moeten er van uitgaan dat we ook het recht hebben ons te vergissen in dat hele veranderingsproces."

(Uitpers nr. 136, 13de jg., november 2011)


_____________________________________________________



Indiase stam krijgt weer toegang tot tijgerreservaat

SURVIVAL INTERNATIONAL PERSBERICHT 2 november 2011

Voor het eerst in de geschiedenis van India is aan een inheemse stam het recht toegekend om hun voorouderlijk land weer te gebruiken, ondanks het feit dat dit land in een tijgerreservaat ligt.

In 1974 werden leden van de Soliga-stam door de lokale overheid verbannen uit hun huizen in de Biligirirangan heuvels in de Indiase staat Karnataka. Het gebied werd een wildreservaat.

Maar nu is formeel bevestigd dat de Soliga in het bos in het Rangaswami Temple Sanctuary reservaat bosproducten mogen verzamelen voor eigen gebruik en om te verkopen .

Dit unieke besluit werd genomen na meer dan 30 jaar onenigheid in Karnataka over hoe de rechten van de inheemse bevolking te verzoenen met natuurbehoud. Hiermee komt een einde aan de angst van de Soliga voor uitzetting en aan het verbod om binnen het reservaat te jagen en kleinschalige landbouw te bedrijven.

Begin dit jaar nog vreesden 1500 Soliga dat ze hun huizen zouden verliezen. De Temple Sanctuary werd toen opnieuw geclassificeerd als tijgerreservaat met als doel om 30 tijgers 'te beschermen'.

De Soliga bleven volhouden dat hen verwijderen niet de oplossing was en vertelden de Indiase minister van Milieu om hen 'liever te vergiftigen' dan hen te dwingen te vertrekken.

Een Soliga-man zei, 'Wij zijn degenen die voor de tijgers waken. Als je ons verbant, verban je de tijgers.'

Dankzij de Indiase Boswet (Forest Rights Act) krijgen de Soliga nu het recht om 60% van het reservaat, waaronder delen van het centrale gebied, te gebruiken en te beschermen.

De Soliga werken nu aan een voorstel om het tijgerreservaat samen met de overheid van Karnataka te beheren. Daarbij zullen zijn hun traditionele kennis inzetten.

Ongeveer 20.000 Soliga's leven in de staat Karnataka en zijn al generaties lang onlosmakelijk verbonden met de Biligirirangan heuvels.

Stephen Corry, de directeur van Survival International: 'De Indiase overheid begint in te zien dat inheemse stammen veruit de beste natuurbeschermers zijn. Hopelijk slaat dat ook in de rest van de wereld aan. Een inheemse stam van hun land verdrijven in naam van 'natuurbehoud' is niet alleen illegaal en vernietigt niet enkel de gemeenschap, het is ook een ramp voor het milieu en het dierenrijk.'


_____________________________________________________


Watergebruik stijgt sneller dan de wereldbevolking
Duurzaamnieuws 01-11-2011 | Bron: iNSnet

Net als olie in de 20e eeuw, zou water wel eens DE basisbehoefte kunnen worden waar het in de 21ste eeuw om gaat draaien. Mensen zijn sinds de vroegste dagen van de beschaving afhankelijk geweest van de toegang tot water, maar met de 7 miljard mensen die nu op de Aarde leven en de exponentieel groeiende verstedelijking en ontwikkeling, groeit de vraag naar water als nooit tevoren.

"Watergebruik is in de vorige eeuw toegenomen met meer dan twee maal de groeisnelheid van de bevolking", zei Kirsty Jenkinson, van het Wold Resource Institute, een denktank uit Washington. Het gebruik van water zal naar verwachting tussen 2007 en 2025 in de ontwikkelingslanden met 50 procent toenemen, en met 18 procent in ontwikkelde landen. "Veel van het toegenomen gebruik vindt plaats in de allerarmste landen waar steeds meer mensen van het platteland naar de steden trekken", zei Jenkinson in een telefonisch interview.

De gevolgen van de klimaatverandering in deze eeuw - meer ernstige overstromingen, droogtes en veranderingen als gevolg van wijzigingen in neerslagpatronen- zullen waarschijnlijk de armste mensen het eerst èn het zwaarst treffen. Daarmee hebben we een enorme uitdaging in handen", aldus Jenkinson. Zal er genoeg water zijn voor iedereen, vooral als bevolking -zoals voorspeld- naar 9 miljard blijft groeien, halverwege deze eeuw?

"Er is veel water op Aarde, dus zullen we niet gauw zonder zitten", zegt Rob Renner, executive director van de Water Research Foundation in Colorado.?"Het probleem is dat 97,5 procent van het water zout is en ... van de resterende 2,5 procent zoet water is tweederde deel bevroren. Er staat de wereld dus niet veel zoet en vloeibaar water ter beschikking".

"Slechts 8 procent van de zoetwatervoorraad van de planeet gaat naar huishoudelijk gebruik ,ongeveer 70 procent ervan wordt gebruikt voor irrigatie, en 22 procent in de industrie", zei Jenkinson.

Droogtes en onvoldoende regenval dragen bij aan wat bekend staat als het waterrisico, en dat slaat ook op overstromingen en vervuiling. "Wat nodig is" zei Jenkinson, "is integraal waterbeheer dat rekening houdt met wie welk soort water nodig heeft, evenals hoe en waar dat water het meest efficiënt kan worden gebruikt".

"Water gaat snel een beperkende factor in ons leven worden", zegt Ralph Eberts, executive vicepresident van Black & Veatch, een technisch bedrijf met een omzet van een 2,3 miljard dollar, dat watersystemen ontwerpt, en dat actief is in meer dan 100 landen. Hij zei dat hij een 'herprioritering' van middelen nodig vindt om de wateruitdagingen, die het gevolg zijn van het veranderende klimaat, en van de toenemende verstedelijking, aan te pakken.

Eberts' bedrijf staat daar niet alleen in. Waterschaarste en waterstress - die ontstaan als de vraag naar water groter is dan het aanbod, of als de slechte kwaliteit van het water het gebruik ervan beperkt - hebben al toegeslagen in waterintensieve bedrijven en in waterbevoorradingsketens in Rusland en China en overal in het zuiden van de Verenigde Staten.

"De centrale rol die zoet water speelt in onze behoeften aan voedsel, brandstof, vezels, etc. is cruciaal geworden in onze overvolle, milieubewuste, maar overspannen wereld", aldus Mindy Lubber directeur van de firma Ceres.

Het waterrisico is nu bijvoorbeeld al schadelijk voor een kledingfabrikant als The Gap, die zijn winstverwachting verlaagde met 22 procent, nadat droogte de katoenteelt in Texas aantastte .
Ook de onafhankelijke Franse gasproducent Toreador Resources zag zijn beurskoers met 20 procent dalen nadat Frankrijk "fracking" verbood, een methode om (schalie)gas te winnen, vooral vanwege bezorgdheid over de kwaliteit van het water die door toepassing van fracking wordt bedreigd.

Voedselreuzen Kraft Foods Inc., Sara Lee Corp., en Nestlé hebben prijsstijgingen aangekondigd om de hogere grondstoffenprijzen te compenseren, die het gevolg zijn van droogte, overstromingen en andere factoren.

Waterrisico is meer dan een zakelijke zorg. Internationale hulporganisaties zien een ramp aankomen voor mensen die slachtoffer kunnen worden van de toenemende droogte of van de stijgende onzekerheid over de watervoorziening.

In Oost-Afrika, bijvoorbeeld, zou een klimaatverandering wijzigingen met zich mee kunnen brengen in de temperatuur en de neerslag, waardoor het groeiseizoen zou verkorten en de opbrengsten zouden verkleinen van gewassen zoals maïs en bonen, waardoor, volgens een Oxfam-rapport, vooral kleine boeren en herders het zwaarst getroffen zouden worden.



_____________________________________________________


Inheems protest tegen mijnbouw op heilige grond
MEXICO-STAD , 30 oktober 2011 (IPS)

De Wixáritari-indianen in Mexico liggen in de clinch met een mijnbouwbedrijf dat zilver wil gaan winnen op hun heilige grond, een gebied dat in 1988 werd erkend door de werelderfgoedorganisatie Unesco.

Zo'n tweehonderd Wixáritari-indianen, ook wel Huichol genoemd, reisden afgelopen week van het westen van Mexico naar de hoofdstad om te protesteren tegen mijnbouw in de woestijn van San Luis Potosí, in de gelijknamige staat.

In San Luis Potosí ligt het reservaat Wirikuta, een gebied dat door de Wixáritari als heilig wordt beschouwd.

De Wixáritari-indianen zijn een van de weinige inheemse groepen in Mexico die hun oude, spirituele identiteit van voor de Spaanse tijd bewaard hebben. Ze aanbidden de goden van de maïs, adelaars, herten en peyote, een doornloze cactus die bij inname een hallucinogeen effect kan hebben.

Peyote groeit niet in de westelijke bergen van Sierra Madre waar de Wixáritari leven, maar is overvloedig in aanwezig in Wirikuta.

De woestijnregio, waar de oude mijnbouwstad Real de Catorce ligt, was tijdens de Spaanse koloniale periode een van de belangrijkste zilverwinningsgebieden.

Real de Catorce is nu een populaire toeristenbestemming. De stad trekt kunstenaars, hippies, onderzoekers, ecologen en acteurs. Veel van hen hebben zich online verenigd om Wirkuta in stand te houden.

Beschermd natuurgebied
In april 2008 was de Mexicaanse president Felipe Calderón, gekleed in traditionele Huichol-outfit, aanwezig bij de ondertekening van een pact over de bescherming van de Wixáritari -cultuur tussen de gouverneurs van vijf staten
Een jaar later verstrekte zijn regering echter 22 mijnbouwvergunningen aan Real Bonanza, een dochteronderneming van het Canadese mijnbouwbedrijf First Majestic. Zeventig procent van de ruim 6000 hectare land waar het om gaat, ligt in Wirikuta.


Een ander Canadees bedrijf, West Timmins Mining, kreeg twee concessies in het hart van Wirikuta, rondom El Bernalejo.


Leden van Salvemos Wirikuta (Red Wirikuta) zeggen dat er minstens dertig mijnbouwprojecten zijn in de heilige regio. De regering negeert oproepen om het gebied te beschermen, zegt Rodolfo Cossío, hoofd van het ceremoniële centrum van de Wixáritari-indianen in Santa Catarina in de staat Jalisco.

Naast de culturele problematiek, spelen in Wirikuta juridische en milieuvragen. Het gebied van 140.000 hectare werd in 2001 namelijk door de regering tot beschermd natuurgebied verklaard.

Biodiversiteit
De regio heeft een rijke biodiversiteit en ken veel soorten cactussen, zegt Conservación Humana, een Mexicaanse ngo die zich inzet voor het behoud van de heilige gebieden. "Het is een eiland van vegetatie middenin de woestijn", zegt Humberto Fernández van Conservación Humana.

"De Wixáritari-indianen geloven dat met de vernietiging van Wirikuta ook het einde van de wereld aanbreekt", zegt de activist.

Wirikuta is niet de enige plaats die waar mijnbouw op weerstand stuit. Minera San Xavier, een Canadees bedrijf dat de zilver- en goudmijn Cerro San Pedro runt, krijgt ook zware kritiek. Cerro San Pedro ligt eveneens in de staat San Luis Potosí. Het bedrijf is verder actief in de zuidelijke staat Guerrero, waar het op weerstand stuit in de regio's Costa Chica en La Montaña.


Een tiende van het oppervlak van Guerrero zou al geleasd zijn door mijnbouwbedrijven die er open mijnen exploiteren die bijzonder schadelijk zijn voor het milieu.

Investeringen
De mijnbouwindustrie heeft volgens president Calderón 12 miljard dollar in Mexico geïnvesteerd sinds 2006, het jaar waarin hij aantrad als president. Deze week zei hij in een toespraak dat zijn land wereldwijd de leidende producent van zilver is en de op acht na grootste producent van goud.

"We steunen de mijnbouwindustrie. Die kan momenteel werken onder omstandigheden zo we die lang niet hebben gekend", zei de president, zonder te verwijzen naar de weerstand onder de inheemse bevolking.

Naar schatting is 12 tot 30 procent van de Mexicanen inheems. De officiële schatting, die gebaseerd is op het aantal mensen dat een inheemse taal spreekt, gaat uit van een lager aantal. Mexico telt 112 miljoen inwoners.

In Mexico-Stad kondigden de Wixáritari-indianen deze week aan een aantal culturele evenementen aan die hun zaak moeten ondersteunen. Het gaat onder meer om een kunstveiling en een muziekfestival in februari 2012


_____________________________________________________



Criminele Spaanse vissers gesteund met Europees belastinggeld
Greenpeace - 3 oktober, 2011

Europa subsidieert Spaanse visserijbedrijven die zich schuldig maken aan illegale visserij. Dat blijkt uit het vandaag verschenen onderzoeksrapport. Greenpeace roept op tot een hervorming van het Europese visserijbeleid.

Ondanks waarschuwingen van de Europese Commissie blijft Spanje de piratenvissers financieel steunen in plaats van ze torenhoge boetes op te leggen. Zo is er meer dan 16 miljoen euro Europees subsidiegeld doorgesluisd naar de vissersfamilie Vidal, terwijl ze een lange lijst van veroordelingen op haar naam heeft staan. Waaronder 22 arrestaties, 8 veroordelingen, 3 miljoen euro boete en 6 schepen die op de zwarte lijst zijn gezet.

De familie Vidal is wereldwijd actief en is vanwege piratenvisserij vervolgd door onder andere Amerika en Engeland. De Spaanse overheid heeft de afgelopen jaren meerdere malen beloofd om het bedrijf aan te pakken. Dat is nooit gebeurd, sterker nog; ze worden beloond voor hun gedrag, want er gaan nog steeds Europese geldstromen naar dit visserijbedrijf.

'Het huidige Europese Visserijbeleid leidt ertoe dat we piratenvissers die onze vis stelen, steunen met belastinggeld. Ten koste van de natuur en van de vissers die wél op een eerlijke manier hun brood proberen te verdienen,' zegt Tom Grijsen, campagneleider oceanen bij Greenpeace. De milieuorganisatie roept de Nederlandse regering op deze praktijken aan te pakken door zich hard te maken voor een sterke hervorming van het Europese Visserijbeleid. 'Staatssecretaris Bleker moet deze piraterij in Brussel aan de kaak stellen. Er mag geen cent Europees belastinggeld meer naar deze criminelen op zee,' aldus Grijsen.

Spanje is een machtige en invloedrijke speler als het gaat om het Europese Visserijbeleid. Met de grootste vissersvloot van Europa ontvangt het land bijna de helft van alle Europese visserijsubsidies. Spanje is door druk vanuit haar machtige visserijsector uiterst terughoudend als het gaat om hervormingen die nodig zijn om voor duurzame visserij en gezonde Europese zeeën. Die hervormingen zijn van levensbelang voor de Europese wateren; zo'n driekwart van de visbestanden zijn overbevist.

 

 


_____________________________________________________


Brazilië onderzoekt wat klimaatwijziging met koffie doet
21 oktober 2011 door IPS

RIO DE JANEIRO - Brazilië gaat de gevolgen van de klimaatwijziging voor de koffieteelt onderzoeken. Het gaat daarvoor de uitstoot van CO2 simuleren op een grote koffieplantage.

Het experiment richt zich op een koffieplantage van 35.000 planten. Twee jaar lang zal daar een stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer gesimuleerd worden. De onderzoekers zullen de gevolgen nagaan voor de planten.

CO2, een broeikasgas, zal worden verspreid via speciale toestellen die rekening houden met de windrichting. Ook de irrigatie wordt aangepast om de veranderingen in neerslag te simuleren.

"We willen weten of de densiteit van ziektes zal toenemen, of er mutaties zullen optreden in de ziektes, of er smaakveranderingen zullen zijn en of de groeiperiode van de planten zal wijzigen", zegt onderzoeker Raquel Ghini.

"Brazilië is een grote producent van koffie. Deze studie zal een beeld geven van de mogelijke problemen en van de instrumenten om oplossingen te vinden", aldus Ghini.

Het onderzoek wordt uitgevoerd door het Braziliaanse overheidsbedrijf Embrapa, een onderzoekscentrum voor landbouw en veeteelt.

Brazilië is de grootste producent en uitvoerder van koffie ter wereld. Met ruim 2 miljoen ton per jaar neemt het een derde van de mondiale koffieproductie voor zijn rekening.

Het is niet het enige grootschalige experiment rond klimaatwijziging in Brazilië. In het Projeto Coral Vivo (Project Levend Koraal) simuleren wetenschappers de gevolgen van de opwarming van de oceanen in grote tanks. Die zijn gevuld met water en mariene organismen, vooral koraalriffen, en staan rechtstreeks in verbinding met de Atlantische Oceaan. Zo worden de tanks voortdurend van vers zeewater voorzien, een eigenschap die het experiment uniek maakt.


_____________________________________________________


Venezuela geeft inheems volk grondgebied terug
IPS 20 okt door, Humberto Márquez

CARACAS - Venezuela geeft 15.800 hectare land terug aan het inheemse Yukpa-volk. Daarvoor worden 25 grote veehouders onteigend.

President Hugo Chávez besliste om een deel van het grondgebied waar de Yukpa aanspraak op maken, aan hen te geven. Chávez toonde zich al langer voorstander van de rechten van de Yukpa en schaarde zich in eerdere conflicten met grootgrondbezitters aan de kant van het inheemse volk.

In 1999 werd in de wet opgenomen dat de inheemse bevolking recht heeft op het land dat aan hun voorouders toebehoorde, maar het duurde erg lang voor ze het land terugkregen.

Onteigeningen
De Venezolaanse overheid onteigent nu 25 veehouders omdat hun boerderijen zich bevinden op land dat door de Yukpa geclaimd wordt. Vicepresident Elías Jaua verzekert dat de veeboeren vergoed zullen worden. "De personen die op de boerderijen werkten en erin geïnvesteerd hebben, zullen vergoed worden en we zullen hen helpen nieuw land te vinden om hun productie voort te zetten," zegt Jaua.

Verschillende veehouders gaan akkoord met die regeling, op voorwaarde dat de overheid de beloofde vergoeding betaalt. Tot dan blijven ze in hun boerderijen. Die boerderijen zijn intussen onder militair toezicht geplaatst. "De reputatie van de overheid is zeer slecht als het op betalingen aankomt. Daarom willen de veehouders blijven werken in hun boerderijen tot de overheid haar plichten nakomt," zegt Cipriano Heredia, de voorzitter van de federatie van veehouders.

Niet alle veehouders zijn tevreden met de regeling. "De 25 betrokken boerderijen, met ongeveer 20.000 dieren, leveren 2000 kalveren per jaar op en 25.000 liter melk per dag," zegt Miguel Rincón, van de beroepsvereniging Veehouders van Machiques. "De kans is groot dat die productie verloren gaat, terwijl dit land zijn vlees en melk al moet importeren. De ervaring die we hebben met boerderijen die bezet worden door inheemse volken is dat ze alles opeten wat ze vinden. Ze verkopen het aan de hoogste bieder en verlaten de plek dan," beweert Rincón.

Geen zelfbestuur
Na een lange strijd krijgen de Yukpa het land waar ze aanspraak op maken, maar de weg is nog lang. "Het staat vast dat er nog veel land ontbreekt om het grondgebied van de Yukpa te vervolledigen zoals zij het afgebakend hebben, ook aanverwante verwezenlijkingen laten nog op zich wachten, zoals het recht op zelfbestuur, op inheemse rechtspraak en op het gebruik van de grondstoffen die zich op hun grondgebied bevinden," zegt Lusbi Postillo, een antropoloog die strijdt voor de belangen van de inheemse bevolking. "Maar de beslissing van president Chávez maakt ons ongelooflijk blij," zegt Postillo.

De reden waarom de Yukpa niet het volledige grondgebied toegewezen krijgen, komt volgens Juan Romero, oppositielid in de provincie Zulia, doordat er veel grondstoffen, zoals steenkool, aanwezig zijn. "Mogelijk houdt de overheid een stuk land voor een eventuele ontginning van die grondstoffen," zegt Romero.

De Yukpa, een volk dat ongeveer zesduizend leden telt, woont vooral in Venezuela, in de provincie Zulia, dicht bij de Colombiaanse grens. Ook in Colombia wonen nog 1500 Yukpa.


_____________________________________________________


Braziliaanse rechter schort werken aan Belo Montedam op

(bron: website Friends of the Earth)

Een rechter in Brazilië heeft de stopzetting bevolen van de bouw van een multi-miljarden damproject in het Amazonegebied.
Rechter Carlos Castro Martins blokkeerde alle werkzaamheden die de natuurlijke loop van de Xingurivier zou beïnvloeden.
Hij oordeelde in het voordeel van de visserijgroepen die argumenteerden dat de Belo Monte dam het lokale visbestand zou aantasten en de inheemse volkeren schade zou kunnen toebrengen.

De overheid zegt dat de dam cruciaal is om tegemoet te komen aan de groeiende energiebehoeften.